Legal Information

Arrest RVV nr. 259 415 van 17 augustus 2021

Feiten: het betreft een koppel van Palestijnse origine. De man werd geboren in Saoedi-Arabië en de vrouw in Libanon. In Libanon is het koppel geregistreerd bij UNRWA. Na hun huwelijk woonden ze samen in Saoedi-Arabië, waar meneer een verblijfstitel had omwille van zijn tewerkstelling. De man werd er bedreigd en het gezin kon niet langer in Saoedi-Arabië blijven. Evenmin kon het gezin in Libanon wonen, gelet op hun problemen daar. Hierdoor vluchten ze naar België.
Het CGVS weigerde rekening te houden met de registratie van de cliënten bij UNRWA, omdat de man nooit UNRWA-steun ontving en de vrouw recentelijk geen steun meer ontving.

Beslissing: de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat de cliënten documenten hebben neergelegd die aantonen dat ze geregistreerd zijn bij UNRWA. Verwijzend naar het arrest Bolbol van het Europees Hof van Justitie stelt de Raad dat de loutere registratie bij UNRWA een voldoende bewijs is dat zij effectief steun hebben ontvangen van de instantie.
Gelet op de actuele financiële problemen van UNRWA, is de Raad van oordeel dat de verslechtering van de werkomstandigheden van UNRWA in Libanon een zodanig niveau heeft bereikt dat, hoewel de organisatie formeel haar aanwezigheid in Libanon niet volledig heeft stopgezet, zij in de praktijk met dermate ernstige operationele moeilijkheden kampt dat de Palestijnse vluchtelingen in het algemeen niet meer kunnen rekenen op haar bescherming of bijstand. Bijgevolg worden de cliënten erkend als vluchteling overeenkomstig artikel 1D van het Verdrag van Genève.

Download "210817-RVV-259-415.pdf"

Arrest RVV nr. 256 101 van 10 juni 2021

Feiten: het gaat om een vrouw uit Gaza. Haar vader en broers zijn lid van Hamas en verwijten de cliënte haar moderne levenswijze, alsook haar relatie met een lid van Fatah. Daarnaast heeft ze een vrees ten opzichte van haar ex-echtgenoot, die haar bedreigd dat zij zich terug bij hem moet voegen.

Beslissing: De Raad is het niet eens met de motivering van de bestreden beslissing van het CGVS. Deze motivatie wordt door de Raad beschouwd als buitensporig, irrelevant of weerlegd in het verzoekschrift en de afgelegde verklaringen bij het CGVS.

De Raad stelt dat mevrouw erin is geslaagd hen te overtuigen van de werkelijkheid van haar problemen. Zij heeft immers geloofwaardig en overtuigend geantwoord op de gestelde vragen.

De motivering van het CGVS is dan ook ontoereikend om het werkelijke bestaan van de problemen in twijfel te trekken. De Raad is van oordeel dat cliënte voldoende, samenhangende en relevante informatie heeft verstrekt over haar problemen.

Bijgevolg werd er afdoende aangetoond dat cliënte met de dood bedreigd werd vooraleer zij Gaza verlaten heeft. Hierdoor wordt ze erkend als vluchteling.

Download "210610-RVV-256-101.pdf"

Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent van 16 april 2021

Feiten: het betreft een Palestijnse man die na een negatieve procedure om internationale bescherming op 02/06/2020 een beslissing van Fedasil ontvangt dat de materiële hulp stopgezet zou worden.

Op 29/06/2020 werd er een kortgedingprocedure opgestart. Op 13/07/2020 oordeelde de rechtbank dat de volledige materiële hulp moet worden toegekend aan de cliënt en dit tot er een eindvonnis is uitgesproken.

Op 07/07/2020 diende de cliënt een verzoek tot verlenging van de materiële hulp in, dat werd afgewezen.

Er werd een procedure ten gronde opgestart. Terwijl deze procedure hangende was verkreeg de cliënt nieuwe documenten m.b.t. zijn vluchtrelaas, waardoor hij op 09/09/2020 een volgend verzoek om internationale bescherming indiende.

Beslissing: de rechtbank is van oordeel dat er een bijzondere omstandigheid was die verklaart waarom er pas laattijdig een aanvraag tot verlenging van materiële hulp werd gedaan.

Een email van maatschappelijk werker toont namelijk minstens impliciet aan dat eiser een vraag tot verlenging van de materiële hulp formuleerde. De maatschappelijk werkster gaf deze aanvraag pas op 7 juli 2020, laattijdig dus, door aan Fedasil.

De rechtbank ziet echter niet in waarom er wel tijdig een kortgedingprocedure kon worden aangespannen, maar dat de verlenging van de materiële hulp niet tijdig gebeurde.

Echter neemt de rechtbank aan dat de omstandigheden eigen aan de COVID19-pandemie aanleiding gaven tot onzekerheid en onduidelijkheid over de te volgen administratieve weg, te meer overheden hun beleid bijgevolg geregeld moesten bijsturen en aanpassen. Hierbij komt dat de maatschappelijk werker aan cliënt het (verkeerde) signaal gaf dat een verlenging van de materiële hulp voor hem niet tot de mogelijkheden behoorde.

Voorts sluit de rechtbank zich aan bij de beoordeling van de kortgedingrechter die, wat betreft de impact van het COVID19-virus niet aan actualiteitswaarde heeft ingeboet.

Download "210416-Arbr-Gent.pdf"

Arrest RVV nr. 251 508 van 23 maart 2021

Feiten: het betreft een Palestijnse man uit Libanon die UNRWA-bescherming genoot. Gezien hij bescherming genoot van deze instelling van de Verenigde Naties werd hij door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen uitgesloten van de vluchtelingenstatus (art. 55/2 Vw.).

Beslissing: Wanneer de bescherming of bijstand van UNRWA om welke reden dan ook is opgehouden, dient de vreemdeling van rechtswege erkend te worden als vluchteling. De bijstand van UNRWA houdt o.a. op wanneer de organisatie opgeheven is of niet langer in staat is om haar taken uit te voeren.

Aangezien UNRWA niet is opgeheven, moet er bepaald worden of er een gebeurtenis is die rechtstreeks verband houdt met UNRWA die het de organisatie in het algemeen onmogelijk maakt om haar opdracht ten aanzien van de Palestijnse vluchtelingen die onder haar bijstand vallen, uit te voeren.

Uit de beschikbare informatie blijkt dat UNRWA financiële problemen heeft en ook de gevolgen draagt van de corona-pandemie. Ondanks het feit dat de organisatie zijn diensten blijft verlenen, is het gedwongen tot aanzienlijke uitgavenreducties in Libanon. Dit heeft een invloed op de bijstand die de organisatie moet verlenen, bv. gezondheidszorg, elementaire voedsel- en financiële bijstand en een waardige en veilige omgeving.

De Raad merkt tevens op dat de huidige stopzetting van de bijstand van de UNRWA van onvoorspelbare duur is.

Bijgevolg is de Raad van oordeel dat de verslechtering van de werkomstandigheden van UNRWA in Libanon een zodanig niveau heeft bereikt dat, hoewel de organisatie formeel haar aanwezigheid in Libanon niet volledig heeft stopgezet, zij in de praktijk met dermate ernstige operationele moeilijkheden kampt dat de Palestijnse vluchtelingen in het algemeen niet meer kunnen rekenen op haar bescherming of bijstand. Hierdoor wordt de cliënt erkend als vluchteling.

Download "210323-RVV-251-508.pdf"

Arrest RVV nr. 252 270 van 3 maart 2021

Feiten: het betreft een minderjarig kind van Sierra Leoonse afkomst ten behoeve waarvan een visumaanvraag met het oog op gezinshereniging werd ingediend. Hij wenst herenigd te worden met zijn vader, die de Belgische nationaliteit bezit. Tegelijkertijd werd een visumaanvraag ingediend voor zijn moeder, broer en adoptie zus.

De Dienst Vreemdelingenzaken weigerde de visumaanvraag van de twee biologische kinderen omdat zij van oordeel waren dat het vaderschap niet vaststond. De visumaanvraag van de moeder, tevens echtgenote, werd wel goedgekeurd.

Beslissing: de visumaanvragen van de kinderen en de echtgenote werden op hetzelfde moment ingediend. Uit het administratief dossier blijkt duidelijk dat zij gezamenlijk werden behandeld en dat op dezelfde dag een beslissing werd genomen ten aanzien van elk van de vier de aanvragers. Zowel de moeder als de vader worden vermeld op de geboorteaktes van de kinderen.

De Raad van Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat de afstammingsband met de moeder en de biologische minderjarige kinderen niet wordt betwist door de verwerende partij. Uit de beslissing blijkt echter niet dat rekening werd gehouden met deze nauwe relatie. Gelet op het feit dat aan de moeder/echtgenote wel een toegang tot verblijf werd toegekend, is de Raad van oordeel dat de beslissing onvoldoende wordt gemotiveerd in het licht van art. 8 E.V.R.M. (recht op gezinsleven).

De bestreden beslissing werd op basis van deze schending van de motivatieplicht vernietigd door de Raad.

Download "210303-RVV-252-270.pdf"

Arrest RVV nr. 249 782 van 24 februari 2021

Feiten: het betreft een Palestijnse man uit de Gazastrook die UNRWA-bescherming genoot. Gezien hij bescherming genoot van deze instelling van de Verenigde Naties werd hij door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen uitgesloten van de vluchtelingenstatus (art. 55/2 Vw.).


Beslissing:
Wanneer de bescherming of bijstand van UNRWA om welke reden dan ook is opgehouden, dient de vreemdeling van rechtswege erkend te worden als vluchteling. De bijstand van UNRWA houdt o.a. op wanneer de organisatie opgeheven is of niet langer in staat is om haar taken uit te voeren.

Aangezien UNRWA niet is opgeheven, moet er bepaald worden of er een gebeurtenis is die rechtstreeks verband houdt met UNRWA die het de organisatie in het algemeen onmogelijk maakt om haar opdracht ten aanzien van de Palestijnse vluchtelingen die onder haar bijstand vallen, uit te voeren.

Uit de beschikbare informatie blijkt dat UNRWA financiële problemen heeft en ook de gevolgen draagt van de corona-pandemie. Ondanks het feit dat de organisatie zijn diensten blijft verlenen, is het gedwongen tot aanzienlijke uitgavenreducties in de Gazastrook. Dit heeft een invloed op de bijstand die de organisatie moet verlenen, bv. gezondheidszorg, elementaire voedsel- en financiële bijstand en een waardige en veilige omgeving.

De Raad merkt tevens op dat de huidige stopzetting van de bijstand van de UNRWA van onvoorspelbare duur is.

Bijgevolg is de Raad van oordeel dat de verslechtering van de werkomstandigheden van UNRWA in de Gazastrook een zodanig niveau heeft bereikt dat, hoewel de organisatie formeel haar aanwezigheid in Gaza niet volledig heeft stopgezet, zij in de praktijk met dermate ernstige operationele moeilijkheden kampt dat de Palestijnse vluchtelingen in de Gazastrook in het algemeen niet meer kunnen rekenen op haar bescherming of bijstand. Hierdoor wordt de cliënt erkend als vluchteling.

Deze beslissing werd eveneens bevestigd door de Nederlandstalige kamers van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Download "210224-RVV-249-782-en-210311-RVV-250-868.pdf"

Arrest RVV nr. 248 580 van 2 februari 2021

Feiten: een Surinaamse man dient een aanvraag tot gezinshereniging in met zijn minderjarige zonen die de Belgische nationaliteit hebben. De aanvraag wordt geweigerd, omdat er geen bewijzen zouden zijn van de financiële en/of affectieve banden tussen de cliënt en de kinderen.

Beslissing: artikel 40ter Vw. vereist een gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM tussen de ouder en zijn kinderen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst naar rechtspraak van het EHRM, waaruit blijkt dat samenwoning niet noodzakelijk is voor het bestaan van een beschermenswaardig gezinsleven. In dat geval moeten er wel factoren aanwezig zijn die maken dat de relatie tussen ouder en kind voldoende standvastig is om de facto gezinsbanden te creëren. Bij gebrek aan samenwoonst mag er dus vereist worden dat er affectieve en/of financiële banden worden aangetoond tussen ouder en kind. Echter wordt hier in casu op kennelijk onredelijke wijze invulling aan gegeven.
Zo is er in dit dossier een overeenkomst tussen vader en moeder over o.a. de omgang met de kinderen, bijdrage in de kosten van de kinderen… Er wordt niet betwist dat de cliënt effectief contact heeft met de kinderen, er liggen immers foto’s en WhatsApp-berichten voor die dit aantonen. Dienst Vreemdelingenzaken stelt bovendien zelf dat er sprake is van een wederzijdse interesse en contact.
Er wordt niet verduidelijkt waarom deze aangetoonde wederzijdse interesse en het contact niet zouden bewijzen dat er sprake is van een affectieve band. Bijgevolg is een schending van de materiële motiveringsplicht en artikel 40ter Vw., in samenhang met artikel 8 EVRM, aangetoond. De weigeringsbeslissing van Dienst Vreemdelingenzaken wordt vernietigd.

Download "210202-RVV-248-580.pdf"

Arrest RVV nr. 250 548 van 21 januari 2021

Feiten: de cliënt is van Russische origine en werd op 20 juni 2006 erkend als vluchteling in België. Hij werd achtereenvolgens in het bezit gesteld van een B-kaart in 2008 en een C-kaart in 2013. In 2017 nam de commissaris-generaal de beslissing tot intrekking van de vluchtelingenstatus nadat de cliënt veroordeeld werd wegens deelname aan “enige activiteit van een terroristische groep”. Deze intrekkingsbeslissing ging gepaard met een niet-terugleidingsclausule.

De gemachtigde minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, en van Asiel en Migratie bracht de cliënt op 30 maart 2020 op de hoogte van het voornemen om zijn verblijfsrecht te beëindigen.

Ondanks het advies van de commissaris-generaal op 24 april 2020, waarbij opnieuw werd bevestigd dat de cliënt noch direct of indirect mag worden teruggeleid naar de Russische Federatie trof de gemachtigd minister op 7 juli 2020 een beslissing tot beëindiging van het verblijf met het bevel om het grondgebied te verlaten en inreisverbod (bijlage 13octies).

Tegen deze beslissing werd beroep aangetekend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

 

Arrest: de beslissing tot beëindigen verblijf kan door de gemachtigd minister genomen worden indien dit gebaseerd is op het persoonlijk gedrag van de betrokken vreemdeling, waaruit een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving blijkt.  De Raad stelt vast dat de verzoekende partij een degelijke belangenafweging heeft gemaakt ter beoordeling van de situatie van de cliënt en acht de beslissing tot beëindigen van verblijf dan ook gegrond.

De Raad is echter van oordeel dat de gemachtigd Minister geen deugdelijk onderzoek heeft gevoerd in het licht van artikel 3 E.V.R.M. bij het uitvaardigen van het bevel om het grondgebied te verlaten.

De verzoekende partij voert terecht aan dat uit de bestreden beslissing niet kan worden opgemaakt naar welk derde land verzoeker zich zou moeten begeven. De beslissing stelt enkel dat de cliënt het Belgisch grondgebied en dat van de Schengenzone moet verlaten. De Raad volgt deze redenering en herhaalt in dit kader de vaste rechtspraak van het EHRM, waarbij gesteld wordt dat voor een zinnig en grondig onderzoek in het kader van artikel 3 juncto artikel 13 EVRM, het land van bestemming duidelijk moet zijn. Gezien dit niet het geval is in de bestreden beslissing kan er onmogelijk sprake zijn van een afdoende toetsing aan artikel 3 E.V.R.M.

De Raad is van oordeel dat deze kennelijke onzorgvuldigheid in het licht van artikel 3 E.V.R.M. voldoende is om het bevel tot grondgebied verlaten te vernietigen. Doordat het inreisverbod werd gekoppeld aan het vernietigde bevel grondgebied verlaten, leidt dit automatisch ook tot de vernietiging van het inreisverbod.

Download "210121-RVV-250-548.pdf"

Rechtbank eerste aanleg Ieper (18 januari 2021)

Feiten: een Nigeriaanse man had een relatie met een Belgische vrouw. Uit deze relatie werd één kind geboren. Er werd een erkenningsprocedure opgestart. Aangezien de vader niet over een verblijfsvergunning beschikte, startte het openbaar ministerie een procedure ‘schijnerkenning’. Na onderzoek adviseerde het OM positief, aangezien ze tot de conclusie kwamen dat er geen redenen waren om de erkenning als een schijnerkenning te beschouwen.
Voor de erkenningsprocedure volledig kon worden afgerond, weigerde de moeder plots om verdere toestemming te verlenen voor de erkenning.
Aangezien de vader zijn kind wilde erkennen, werd er een procedure voor de familierechtbank opgestart.

Vonnis: de rechtbank oordeelt dat overeenkomstig art. 19 WIPR het Belgische recht van toepassing is, gezien het kind in België werd geboren, het kind en de moeder de Belgische nationaliteit hebben én gelet op het feit dat de vader al geruime tijd in België verblijft en hier een verblijfsprocedure lopende heeft.

Betreffende de biologische afstamming, wordt er benadrukt dat de moeder niet ontkent dat eiser de biologische vader is van het kind. De rechtbank oordeelt dat de erkenning in het belang van het kind is, aangezien een kind er alle belang bij heeft een dubbele afstammingsband te hebben.

Bijgevolg wordt de vader gemachtigd om zijn kind te erkennen. Om de afstammingsband naar de buitenwereld duidelijk te maken, zal het kind de dubbele familienaam krijgen. 

De moeder haalde in casu tevens aan dat de identiteit van eiser niet vast zou staan, omdat hij twee namen zou hebben. Eiser werd inderdaad in het verleden geadopteerd, en draagt sindsdien een andere naam. Hij is hier echter steeds eerlijk over geweest naar de moeder toe. De rechtbank oordeelt dat het niet is omdat men door een adoptie een naamswijziging ondergaat, dat de identiteit van een persoon niet vastligt.

Download "210118-REA-Ieper.pdf"

Arrest RVV nr. 233 244 van 27 februari 2020

Feiten: het betreft een man uit Afghanistan, afkomstig uit de provincie Logar. Omwille van zijn werk als vertaler en leraar Engels werd hij door de Taliban lastiggevallen, waardoor zijn leven in gevaar was. Het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen nam een negatieve beslissing, nl. het statuut van erkend vluchteling en het statuut van subsidiaire bescherming werd aan de cliënt geweigerd.

Arrest: de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vernietigt de beslissing van het Commissariaat en zendt het dossier terug voor verder onderzoek.

De Raad steunt deze beslissing op drie redenen:
– het CGVS heeft onvoldoende rekening gehouden met de psychologische gezondheid van cliënt. De cliënt legde tijdens zijn procedure verschillende attesten voor die zijn mentale problemen aantonen. Het CGVS moet van de RVV het verzoek om internationale bescherming herbekijken in het kader van deze voorgelegde psychologische attesten;
– de vrees van cliënt om bij een terugkeer naar Afghanistan geviseerd te worden omwille van zijn verwestering, gelet op zijn lang verblijf in België, werd nog niet onderzocht door het CGVS;
– het CGVS moet de mogelijkheid tot toekenning van subsidiaire bescherming en een eventueel intern vluchtalternatief expliciet onderzoeken, wat nog niet gebeurd is.

De cliënt werd uitgenodigd voor een nieuw persoonlijk onderhoud op het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Op 23 december 2020 werd de subsidiaire bescherming toegekend.

Download "200227-RVV-231-436.pdf"

Arresten RVV: RVV wenst meer informatie over werking UNRWA in Palestina/Libanon

Arresten: Zowel de Nederlands- als Franstalige kamers van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vragen bijkomende informatie over de werking van UNRWA in de Palestijnse gebieden. 

De Raad benadrukt  in haar arresten dat artikel 1D van het Verdrag van Genève een uitzonderingregeling is op maat gemaakt om tegemoet te komen aan de specifiek situatie van de Palestijnse Vluchtelingen. Zolang personen die geregistreerd zijn bij UNRWA materiële en humanitaire bijstand genieten, worden ze uitgesloten van de vluchtelingenstatus.

De Raad stelt vast dat UNRWA nog steeds bestaat en dat zij, ondanks de vele tegenslagen waarmee ze geconfronteerd werd, bepaalde activiteiten heeft kunnen blijven uitoefenen. Echter blijkt uit de voorgelegde documenten dat er een reëel en imminent risico bestaat dat UNRWA niet langer (financieel) in staat is om zijn opdracht te vervullen. Gelet op de zeer snelle verslechtering van de situatie (mede ten gevolge van de corona-pandemie) is het voor de Raad noodzakelijk om over nauwkeurigere en recentere informatie te beschikken dan deze die wordt voorgelegd in de COI-focus van augustus 2020. Deze informatie is nodig teneinde te kunnen oordelen of de bijstand van de UNRWA in feite opgehouden is effectief te zijn.

De beslissingen van het CGVS werden vernietigd en de dossiers werden teruggestuurd naar het CGVS, zodat de gevraagde informatie voorgelegd kan worden.

Download "201218-RVV-241-315-en-201223-RVV-247-834.pdf"

Arrest RVV nr. 150 818 van 17 juli 2020

Feiten: de verzoeker is een alleenstaande man van Somalische origine met twee minderjarige dochters. Bij een terugkeer naar Somalië vreest de man dat zijn dochters zullen blootgesteld worden aan het risico op genitale verminking. Zijn aanvraag om internationale bescherming werd telkens negatief beantwoord.

Het verzoek om machtiging tot verblijf voor meer dan 3 maand in op basis van artikel 9 bis Vreemdelingenwet werd op 13 maart 2014 negatief beantwoord. De Dienst vreemdelingenzaken is van oordeel dat verzoeker geen elementen kon aanbrengen die een buitengewone omstandigheid uitmaken teneinde zijn verzoek vanuit België te kunnen indienen.

Tegen deze beslissing werd beroep aangetekend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Arrest: de Raad stelt vast dat de formele motiveringsplicht in hoofde van de Belgische overheid niet is nagekomen en eist dat DVZ de schending van de buitengewone omstandigheden in concerto, uitlegt.

In Somalië is geen Belgische ambassade aanwezig, verzoeker dient zich te wenden naar de bevoegde Ambassade te Nairobi. Slechts bij aanwezigheid van buitengewone omstandigheden kan de aanvraag in België worden ingediend.

In het verzoek haalde verzoeker volgende buitengewone omstandigheden aan:

  • Zijn minderjarige dochters volgen al geruime tijd school in België. Bij een verplichte terugkeer zullen zij uit hun vertrouwde leefomgeving worden gehaald;
  • Bij een terugkeer zullen de dochters worden blootgesteld aan een risico op genitale verminking;
  • De cliënt zou voor een lange tijd gescheiden worden van zijn dochters indien hij hen moet achterlaten in België om de aanvraag in Nairobi in te dienen. Wat een schending impliceert van artikel 8 E.V.R.M;
  • De cliënt is financieel niet in de mogelijkheid om te reizen naar de bevoegde Ambassade te Nairobi, wat eveneens niet zijn land van herkomst is.

DVZ argumenteerde dat de elementen aangebracht om de buitengewone omstandigheid te rechtvaardigen niet afdoende waren. 

De Raad oordeelde dat het ontbreken van een gedetailleerde uitleg in de beslissing waarom de aangehaalde buitengewone omstandigheden niet voldoen op zich een schending uitmaakt van de formele motiveringsplicht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken vernietigd en zendt het dossier terug naar DVZ.

Download "200717-RVV-150-818.pdf"

Arrest RVV nr. 245 761 van 25 augustus 2020

Feiten: de cliënten zijn een koppel van Syrische afkomst die hun land van herkomst ontvlucht zijn samen met hun twee minderjarige kinderen. De man van het koppel en één van de kinderen lijden aan blindheid door een erfelijke ziekte. Het gezin gaf aan in Griekenland niet de noodzakelijke toegang tot (medische) zorg te krijgen.

In Griekenland werd in augustus 2017 het statuut van vluchteling toegekend aan de ganse familie. Het koppel deed in 2018 een aanvraag tot internationale bescherming in België. Deze aanvraag werd door het CGVS geweigerd gelet op hun statuut in Griekenland.

Tegen deze beslissing werd beroep aangetekend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Arrest: de Raad is van oordeel dat de voorgelegde medische documenten de ernst van de medische aandoening waaraan de vader en zijn kind lijden, voldoende ondersteunt.

Wanneer de specifieke kwetsbaarheid van de aanleggers bewezen wordt, dan stelt de Raad dat het CGVS de plicht heeft om na te gaan of zij bij een terugkeer (in casu naar Griekenland) zouden worden blootgesteld aan situaties die hun lichamelijke of geestelijke gezondheid zullen schaden en/of onverenigbaar zijn met de menselijke waardigheid.

In het geval van de verzoekers oordeelde de Raad dat het CGVS heeft nagelaten deze aanvullende onderzoeksmaatregelen te stellen. De beslissing van het CGVS werd door de Raad vernietigd en het dossier wordt teruggestuurd naar het CGVS voor bijkomend onderzoek.

Download "200825-RVV-245-761.pdf"

Arbeidshof Gent, afdeling Brugge van 12 augustus 2020

Feiten:  de verzoeker werd geboren in Ben Ghazi (Libië) en is van Palestijnse origine. Hij verbleef bijna zijn hele leven in het Palestijnse vluchtelingenkamp Rashidieh te Libanon. Sinds 2006 verblijft hij in België.  Hij werd op 17 januari 2012 door de Rechtbank van Eerst Aanleg te Brussel erkend als staatloze. Hij doorliep verschillende verblijfsprocedures, maar beschikt vooralsnog niet over een verblijfsstatuut.

De aanlegger heeft in 2017 een aanvraag tot maatschappelijke integratie ingediend op basis van zijn hoedanigheid als erkend staatlozen en zich bijgevolg op overmacht kan beroepen. Dit werd afgewezen door het OCMW op 28 september 2017 omdat de man niet over een geldig verblijfsrecht in België beschikt.

De Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Ieper, volgde op 2 november 2018 de redenering van het OCMW. De eerste rechter oordeelde dat de hoedanigheid van staatloze niet onmiddellijk een toegang tot een verblijfstitel impliceert. Totdat de persoon een verblijfstitel heeft verkregen verblijft hij illegaal in het land. Bijgevolg heeft de persoon die erkend is als staatloze, doch illegaal op het grondgebied verblijft geen recht op een leefloon. Bovendien oordeelde de rechtbank dat de cliënt geen recht heeft op maatschappelijke dienstverlenging gezien geen bewijs werd geleverd dat hij zich bevindt in een situatie van overmacht. Hij bevindt zich niet in de absolute onmogelijkheid om het grondgebied te verlaten.

Tegen dit vonnis werd beroep aangetekend bij het Arbeidshof te Gent.

Het arrest: Het Arbeidshof bevestigt dat de door de wet opgelegd overmacht niet is bewezen door verzoeker. Aldus het Hof, kan de man niet worden uitgezet naar een land waarvan hij de nationaliteit niet bezit. Het Hof gaat zeer ver in haar onderzoek en redenering. Zij stelt daarbij dat men had moeten nagegaan of de man wel in de mogelijkheid was om een nationaliteit van een ander land te verwerven.

Dat de verzoeker geen Libanese nationaliteit heeft staat vast door een attest van de Libanese ambassade.

Het Hof erkent dat er weldegelijk een Palestijnse nationaliteit bestaat maar stelt zich de vraag of ‘er zoiets bestaat als een (volwaardige) Palestijnse nationaliteit gelet op de zeer beperkte macht waarover de Palestijnse staat concreet beschikt’.

Wat het eerste deel betreft volgt men de argumenten van het Openbaar Ministerie, m.n.: het Hof erkent dat de Palestijnse staat voldoet aan de volgende voorwaarden en als staat moet worden beschouwd, ook al is het een zeer zwakke staat met beperkte mogelijkheden om zich te handhaven. Hierbij verwijst het Hof naar het feit dat de Palestijnse staat wordt erkend door de VN en voldoet aan de definitie van de Montevideo Conventie waarbij een staat moet beschikken over:

  •  (1) een permanente bevolking;
  •  (2) een afgebakend grondgebied;
  •  (3) een overheid/regering en
  •  (4) het vermogen tot het aangaan van relaties met andere staten. 

Wat het tweede deel betreft volgt het Hof de volgende redenering: hoewel erkend wordt dat de Palestijnse staat bestaat, rijst de vraag in welke mate de verzoeker, die van Palestijnse origine is maar steeds in Libanon gewoond heeft een (volwaardige) Palestijnse nationaliteit kon verwerven? In het geval van verzoeker is dit antwoord negatief:

  • Enerzijds bestaat er geen Palestijnse nationaliteitswetgeving waarop hij zich kan beroepen en anderzijds wordt het de internationaalrechtelijke mogelijkheid op Israëlisch burgerschap geweigerd door Israël.
  • De documenten die de Palestijnse autoriteit kunnen uitgeven beperken zich tot identificatie en reisdocumenten, maar verlenen geen “nationaliteit”.
  • Daarenboven kan de Palestijnse autoriteit dit enkel uitgeven ten behoeve van inwoners van de Westelijke Jordaanoever en Gazastrook.

De man bevindt zich als dusdanig in een situatie van overmacht.

Het Arbeidshof vernietigde de beslissing van het OCMW. Daarenboven was het Hof van oordeel dat het OCMW moet nagaan of de man voldeed aan alle andere door de wet gestelde voorwaarden op het moment van de beslissing en aldus vanaf die dag recht had op OCMW steun.

Een bijzonder arrest gelet op het feit dat het Arbeidshof zelf opnieuw heeft nagegaan of appellant de Palestijnse nationaliteit kan bekomen dit terwijl hij al als staatloos door de rechtbank van eerste aanleg werd erkend. Maar ook de redenering van het Hof is uiterst gedetailleerd.

Download "200812-ArbH-Brugge.pdf"

Arrest RVV nr. 247 666 van 17 november 2020

Feiten: er werd een aanvraag gezinshereniging (cfr. art. 40ter VW) ingediend van een dame van Russische nationaliteit met haar Belgische man, die onder bewindvoering staat. Zij huwden in augustus 2019 te Brugge.

Deze aanvraag werd echter geweigerd omdat de Dienst Vreemdelingenzaken van oordeel was dat onvoldoende werd bewezen dat de man over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen beschikt. Dit omdat de man sedert 2011 onder voorlopige bewindvoering staat en aldus niet over zijn eigen inkomsten zou beschikken volgens DVZ.

 

Beoordeling: de Raad voor Vreemdelingenbetwisting volgde deze argumentatie echter niet. Louter het feit dat de man onder voorlopige bewindvoering staat, betekent niet dat hij zijn inkomsten niet te zijner beschikking zou hebben. De inkomsten blijven eigendom van de man, ook al beheert de bewindsvoerder deze inkomsten. Er werd door de verzoekende partij aangetoond dat de man beschikt over een gemiddeld maandelijks inkomen die ruim voldoende is om te voorzien in hun dagelijkse behoeften.

Om deze reden vernietigde de Raad de beslissing van DVZ en stuurt het dossier voor een grondiger onderzoek terug naar de dienst Vreemdelingenzaken.

 

Download "201117-RVV-247-666-1.pdf"

Arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen van 30 juli 2020

Feiten: de cliënt is een man van Soedanese nationaliteit. Hij diende een verzoek om internationale bescherming in dat werd afgewezen zowel door het CGVS als door de RVV. De RVV sprak zijn arrest uit in mei 2020, tijdens de lockdown. In navolging van dit arrest ontving cliënt een beslissing van Fedasil dat hij het opvangcentrum moet verlaten op 27 juli 2020. Ondanks de afgekondigde verstrengde maatregelen van 27 juli 2020 werd cliënt op die dag toch verplicht het centrum te verlaten. Aangezien cliënt nergens heen kan omwille van de corona-pandemie, werd er een eenzijdig verzoekschrift neergelegd bij de arbeidsrechtbank. 

Beslissing: de arbeidsrechtbank Antwerpen oordeelt dat de beslissing van Fedasil onverenigbaar is met de federale maatregelen tegen de verspreiding het coronavirus, met de menselijke waardigheid en met het algemeen belang. Dit geldt des te meer sinds de bekendmaking van de aanvullende maatregelen die van toepassing zijn in de provincie Antwerpen, zoals bv. de avondklok. Aangezien cliënt op straat leeft in Antwerpen kan hij niet anders dan de politieverordening die deze maatregelen oplegt overtreden, waardoor hij blootgesteld wordt aan een strafrechtelijke vervolging.
Bovendien kan cliënt onmogelijk vrijwillig terugkeren naar zijn land van herkomst, gezien reizen binnen de EU slechts beperkt mogelijk is en reizen buiten de EU nagenoeg onmogelijk is.
Bijgevolg wordt Fedasil verplicht om te voorzien in de opvang van cliënt in een opvangstructuur.

Download "200730-Arbr-Antwerpen-114184.pdf"

Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent van 13 juli 2020

Feiten: de cliënt is een man van Palestijnse origine. Hij diende een verzoek om internationale bescherming in dat werd afgewezen. Op 2 juni 2020 werd er een bevel om het grondgebied te verlaten afgeleverd aan cliënt. In navolging van deze beslissing ontving cliënt de beslissing van Fedasil dat zijn materiële hulp zou worden stopgezet op 2 juli 2020. Aangezien cliënt nergens heen kan omwille van de corona-pandemie, wordt er een procedure in kortgeding opgestart.

Beslissing: de arbeidsrechtbank Gent oordeelt dat de beslissing van Fedasil onverenigbaar is met de federale maatregelen Bovendien is de beslissing in strijd met de menselijke waardigheid van cliënt en het algemeen belang, in het bijzonder van de volksgezondheid.
Daarnaast is er op heden onduidelijkheid over het tijdstip waarop het algemeen reisverbod zal worden opgeheven én heeft de onmogelijkheid om een opvangplaats aan te bieden tot gevolg dat cliënt gedwongen wordt tot een verblijf in uiterst precaire omstandigheden.
Bijgevolg oordeelt de arbeidsrechtbank dat Fedasil ertoe gehouden is om cliënt op te nemen in het opvangnetwerk en dit tot er een eindvonnis of eindarrest is uitgesproken.

Download "200713-Arbr-Gent-113628.pdf"

Rechtbank van eerste aanleg Kortrijk van 5 december 2019

Feiten: de nationaliteitsaanvraag van de man met Russische nationaliteit wordt negatief geadviseerd door het openbaar ministerie, omwille van twee redenen. Vooreerst stelt het openbaar ministerie dat de man gekend zou zijn voor domicilie- en sociale fraude. Daarnaast zou hij eveneens gekend zijn bij de veiligheid van de staat.

Beslissing: omtrent de vermeende fraude stelt de rechtbank dat er nooit enig diepgaand onderzoek werd gevoerd naar de vermeende inbreuken. Ook het OCMW stelt dat zij slechts een vermoeden van domiciliefraude hadden. Bijgevolg zijn er geen concrete aanwijzingen van deze fraude waardoor de man het voordeel van de twijfel geniet.

Omtrent het feit dat de man gekend zou zijn bij de veiligheid van de staat, stelt de rechtbank dat een loutere verwijzing naar het gekend zijn bij de Staatsveiligheid niet tot enig bewijs strekt van het feit dat de man een aanhanger zou zijn een beweging of organisatie die door de Veiligheid van de Staat als gevaarlijk wordt beschouwd. Bijgevolg werd er door de rechtbank geen rekening gehouden met het gegeven dat de verzoeker bij de Staatsveiligheid gekend zou zijn.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de feiten die aan de oorsprong liggen van het negatief advies onvoldoende zwaarwegend zijn, waardoor de Belgische nationaliteit aan de man dient te worden toegekend.

Download "191205-REA-Kortrijk-99530.pdf"

Rechtbank van eerste aanleg Brugge van 2 maart 2020

Feiten: de nationaliteitsverklaring van een Syrische man krijgt een negatief advies van het openbaar ministerie, gezien hij bij zijn eerste verzoek om internationale bescherming valse verklaringen had afgelegd en een valse identiteit opgaf. De man diende in 2011 een nieuw verzoek om internationale bescherming in, waarbij hij zijn internationaal paspoort voorlegde en de subsidiaire bescherming toegekend kreeg. Volgens het openbaar ministerie kan de identiteit van de man echter niet gewaarborgd worden en is het binnenkomen onder een valse naam of identiteit een gewichtig feit eigen aan de persoon.

Beslissing: de familierechtbank stelt dat er geen gewichtige feiten eigen aan de persoon waren, op basis van verschillende elementen. Vooreerst waren de feiten omtrent de identiteitsfraude geruime tijd geleden gepleegd. Voor deze feiten werd er reeds in 2012 een strafrechtelijke veroordeling uitgesproken, waarbij de opschorting werd verleend. Het feit dat deze opschorting werd verleend toont bovendien aan dat er een groot schuldbesef aanwezig was bij de man.
Op heden is er daarnaast al verschillende jaren duidelijkheid omtrent de identiteit van de man, gezien zijn internationaal paspoort en geboorteattest werden voorgelegd.
Ten slotte werden er de afgelopen jaren geen gedragingen gesteld die op één of andere manier nadelige of schadelijke gevolgen voor de gemeenschap zouden hebben. Bijgevolg wordt het negatief advies van het openbaar ministerie niet bijgetreden.

Download "200302-REA-Brugge-99531.pdf"

Arrest RVV nr. 232 900 van 20 april 2020

Feiten: het betreft een man van Palestijnse origine. Hij werd geboren in het Ain Al Alweh vluchtelingenkamp in Libanon en woonde daar zijn hele leven. Hij en zijn familie kregen er echter problemen met terroristische organisaties, waardoor de man verplicht was om Libanon te ontvluchten.

Beslissing: de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft de beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen waarbij het statuut van erkend vluchteling en het statuut van subsidiaire bescherming aan de man werd geweigerd, vernietigd en zendt het dossier terug naar het CGVS.

Deze beslissing werd genomen op basis van twee redenen:
– De informatie van het CGVS omtrent UNRWA en diens mogelijkheid tot het uitoefenen van zijn opdracht in Libanese vluchtelingenkampen is niet recent genoeg.
– De informatie van het CGVS omtrent de mogelijkheden van Palestijnse vluchtelingen om terug te keren naar Libanon is achterhaald en moet geactualiseerd worden.

Op basis hiervan wordt het dossier voor een grondiger onderzoek teruggestuurd naar het CGVS.

Download "Arrest-RVV-nr.-232-900-van-20-april-2020.pdf"

Verblijfsregelingen in tijden van het coronavirus: quid?

01/04/2020

nota van de Orde van Vlaamse Balies (01/04/2020)

1) de rechtszekerheid, het belang van het kind en het belang van de ouders de grondslag vormen op basis waarvan verblijfsregelingen zoals gehomologeerd of opgelegd door de rechter blijven moeten worden uitgevoerd
2) bij een corona-besmetting van een ouder of kind of andere inwonende persoon, om redenen van volksgezondheid aanbevolen wordt om af te wijken van de bestaande verblijfsregeling (cfr. nrs. 9-12)
3) meer algemeen advocaten in deze tijden het nut moeten benadrukken van online communicatie en sociale media, alsook hun cliënten moeten wijzen op hun verantwoordelijkheden bij het naleven van verblijfsregelingen zonder daarbij evenwel de volksgezondheid uit het oog te verliezen.

Download "200401-OVB-NOTA-verblijfsregeling-V5.pdf"

Arrest RVV nr. 230 905 van 3 maart 2020

Feiten: het betreft een koppel van Palestijnse origine. De man werd geboren in Saoedi-Arabië en de vrouw in Libanon. Na hun huwelijk woonden ze samen in Saoedi-Arabië, waar meneer een verblijfstitel had omwille van zijn tewerkstelling. De man werd er bedreigd en het gezin kon niet langer in Saoedi-Arabië blijven. Evenmin kon het gezin in Libanon wonen. Hierdoor vluchten ze naar België.
Op heden is de verblijfstitel van meneer in Saoedi-Arabië verlopen en dus niet langer geldig.

Beslissing: de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft de beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen waarbij het statuut van erkend vluchteling en het statuut van subsidiaire bescherming aan het koppel werd geweigerd, vernietigd en zendt het dossier terug naar het CGVS.

Deze beslissing werd genomen op basis van twee redenen:
– De Raad wil meer info over het verlopen van de geldigheid van de verblijfstitel van meneer in Saoedi-Arabië. Op heden heeft de Raad geen info over de mogelijkheid van het verkrijgen van een nieuw visum, wanneer het oude visum is verlopen maar de ouders van een persoon er nog steeds wonen. In casu wonen de ouders van meneer namelijk nog steeds in Saoedi-Arabië.
– De Raad stelt ook dat er in de bestreden beslissing niet wordt gekeken naar de familie van mevrouw die in België woont en hier een beschermingsstatuut hebben. Dit familiale kader en het statuut van de familieleden moet grondiger onderzocht worden.

Op basis hiervan wordt het dossier voor een grondiger onderzoek teruggestuurd naar het CGVS.

Download "Arrest-RVV-nr.-230-905-van-3-maart-2020.pdf"

Arrest RVV nr. 228 837 van 18 november 2019

Feiten: een man van Palestijnse origine heeft een zesde verzoek tot internationaal bescherming ingediend. Het CGVS heeft op 17 november 2017 een beslissing tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus en van de subsidiaire bescherming status genomen.
In navolging van deze beslissing heeft de Belgische Staat op 23 november 2017 een beslissing tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 13quinquies), genomen.

Arrest: de Raad stelt dat er geen bevel om het grondgebied te verlaten kan worden afgegeven, wanneer dit tot gevolg zou hebben dat er een hogere rechtsnorm geschonden zou worden. Artikel 3 EVRM is onmiskenbaar een dergelijke hogere rechtsnorm.
In casu kan er, noch uit de motivering van de Belgische Staat, noch uit het administratief dossier, vastgesteld worden of de Belgische Staat een mogelijke schending van artikel 3 EVRM heeft onderzocht. Nochtans bleek uit de stukken in het dossier dat de man niet (in)direct teruggeleid mag worden naar Gaza.
De Belgische Staat haalt hieromtrent aan dat de man niet verplicht wordt om terug te keren naar Gaza. Echter wordt niet aannemelijk gemaakt dat de man een keuze heeft inzake het land waarnaar hij kan terugkeren. De man is bovendien niet in het bezit van een paspoort met een geldig visum.
Gelet op het voorgaande staat het vast dat de bestreden beslissing niet deugdelijk werd voorbereid en dat het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden.

Download "191118-RVV-228-837.pdf"

Arrest RVV nr. 232 613 van 23 december 2019

Feiten: het betreft een Afghaanse man uit het dorp van Baland Ghar, district Behsud, provincie Nangarhar. Hij werkte in Kaboel bij een privéfirma dat militaire badges maakte voor het Afghaanse leger. De privéfirma werd gefinancierd door de NAVO.
Na bedreigingen door de taliban heeft de cliënt valse badges gemaakt voor hen, maar 4 talibanleden werden betrapt door de Afghaanse politie met deze valse badges. De taliban verdenkt de cliënt ervan achter de arrestatie te zitten, en de autoriteiten hebben ontdekt dat de cliënt de valse badges heeft gemaakt voor de taliban. De cliënt is Afghanistan ontvlucht uit vrees voor de taliban en de autoriteiten.
De cliënt diende een verzoek om internationale bescherming in op 9 maart 2016. Het CGVS weigert bij beslissing van 17 april 2019 de internationale bescherming en de subsidiaire bescherming aan de cliënt omdat het meent dat de cliënt er niet in slaagt de gegrondheid van zijn verzoek om internationale bescherming aan te tonen door zijn verklaringen en voorgelegde documenten.

Arrest: De Raad gaat niet akkoord met de motivatie van het CGVS en oordeelt dat op basis van een grondige lezing van het administratieve dossier en de voorgelegde documenten de cliënt zijn reële vrees voor vervolging heeft bewezen.
De Raad oordeelt dat de cliënt gedurende zijn persoonlijk onderhoud heel wat gedetailleerde, consistente en coherente verklaringen heeft afgelegd over zijn job, de bedreigingen van de taliban en de problemen die hij heeft ervaren. Bovendien ondersteunen de talrijk voorgelegde documenten zijn verklaringen, waardoor niet enkel zijn identiteit en nationaliteit vaststaan, maar ook de context waarin hij problemen heeft ervaren.
De Raad erkent dat de documenten niet concreet zijn problemen en zijn vrees bewijzen, maar de Raad begrijpt dat, gezien de specifieke omstandigheden van de cliënt, het heel moeilijk is om hiervan bewijzen te bezorgen.
Bovendien worden de verklaringen van de cliënt ondersteund door objectieve bronnen, zoals “UNHCR Eligibility Guidelines for assessing the international protection needs of asylumseekers from Afghanistan, van 30 augustus 2018” en “ EASO Country Guidance note: Afghanistan, van mei 2018”. De Raad acht het profiel van de cliënt bewezen.
Het profiel van de cliënt gebiedt de asielinstanties daarom tot voorzichtigheid. In het dossier van de cliënt zijn er heel wat indicaties die de gegrondheid van zijn vrees bewijzen. Gelet op het profiel van de client en de situatie in Afghanistan, erkent de Raad hem als vluchteling.

Download "191223-RVV-232-613.pdf"

Arrest RVV nr. 233 981 van 25 november 2019

Feiten : Het betreft een alleenstaande Irakese vrouw en haar minderjarige dochter. Haar echtgenoot werd vermoord door onbekende personen en om ongekende redenen. Haar schoonbroers en zijn neven houden de cliënte verantwoordelijk voor de dood van haar man. Haar schoonfamilie heeft daarom de erfenis van haar echtgenoot genomen en ze willen haar dochter afnemen.
Haar schoonbroers dwongen haar om haar dochter af te geven, waarop de cliënte besloot op 12 november 2006 Irak te verlaten met haar dochter. Ze verhuisden naar Syrië om er samen met haar familie te wonen. In 2009 keerden ze terug naar Irak omwille van de verslechterde veiligheidssituatie in Syrië. In 2013 bedreigden haar schoonbroers haar met een wapen om haar dochter af te nemen, maar de cliënte weigerde opnieuw. Ze ontvluchtte Syrië uit vrees voor haar schoenbroers. Daarnaast riep ze haar positie als alleenstaande soennitische vrouw in Irak in.
De cliënte diende op 9 juni 2015 een verzoek om internationale bescherming in, dat op 8 maart 2016 werd geweigerd door het CGVS. Bij arrest nr. 169 113 van 6 juni 2016 vernietigde de RVV de beslissing en stuurde de Raad het dossier terug naar het CGVS voor verder onderzoek. De Raad meende dat het CGVS geen onderzoek had gedaan naar de vrees van de cliënte als alleenstaande en soennitische vrouw in Irak.

Arrest: De Raad merkt op dat het verzoek om internationale bescherming van de vrouw op 8 maart 2016 werd geweigerd omdat het CGVS geen geloof hechtte aan de verklaringen van de cliënte omtrent de bedreigingen door haar schoonbroers. De Raad volgt dit standpunt niet. De Raad herinnert er ook aan dat naast de vrees voor haar schoonbroers, de cliënte ook haar positie als alleenstaande, soennitische vrouw in Irak inriep.
De Raad stelt vast dat het CGVS de dood van haar man niet betwist. De Raad stelt ook vast dat de cliënte sinds 2009 alleen woonde in een studio in Irak. De cliënte verklaarde dat in 2014 onbekende mannen in militair uniform haar studio binnendrongen en ze het slachtoffer werd van seksueel geweld; de mannen zouden vragen naar haar dochter. Het CGVS vond haar verklaringen weinig geloofwaardig, maar de Raad gaat hier niet mee akkoord. Ze overweegt dat de cliënte logische verklaringen heeft afgelegd die ze eveneens heeft gestaafd met documenten. De Raad twijfelt dus niet aan het seksuele geweld.
In het verzoekschrift werd heel wat informatie voorgelegd over de moeilijkheden die alleenstaande vrouwen in Irak ervaren en het geweld dat ze meemaken. Het staat dus volgens de Raad vast dat de cliënte, gelet op haar profiel, een reële vrees voor vervolging heeft. Overeenkomstig artikel 48/7 VW is het feit dat iemand reeds in het verleden het slachtoffer is geworden van vervolging een serieuze indicatie dat de vrees voor vervolging gegrond is. Gezien de veiligheidssituatie in Irak is het volgens de Raad weinig aannemelijk dat de cliënte bescherming kan genieten van de autoriteiten of dat ze haar vrees voor vervolging kan ontvluchten door zich elders in Irak te vestigen. Gelet op haar profiel en de situatie in Irak erkent de Raad haar de vluchtelingenstatus.

Download "191125-RVV-233-981.pdf"

Arrest RVV nr. 232 915 van 18 november 2019

Feiten: het betreft een Palestijnse man uit het dorp Khan Younis Ma’an, die UNRWA-bescherming geniet. Hij ontvluchtte Gaza uit vrees voor Hamas. Hij werd door leden van Hamas uitgescholden en enkele gemaskeerde mannen hebben hem gearresteerd en mishandeld. Een lid van Qateab Al Quassem heeft aan hem gevraagd om bij hen een militaire opleiding te volgen. Hij weigerde en uit angst voor zijn eigen veiligheid en die van zijn familie besloot hij het land te verlaten. Door de vele oorlogen heeft de cliënt psychologische problemen gekregen. Bij terugkeer naar Palestina vreest hij voor zijn leven omdat hij door Hamas wordt geviseerd en omwille van een fatwa, waarin dr. Salah Al Raqab stelt dat elke Palestijn die het land zou zijn ontvlucht, gedood mag worden.
Hij diende op 12 juli 2018 een eerst verzoek om internationaal bescherming in. Het CGVS besloot overeenkomstig artikel 55/2 VW dat de client wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus en dat de client niet in aanmerking komt voor de subsidiaire bescherming status in de zin van artikel 48/4 VW.

Arrest : De Raad benadrukt dat artikel 1D van het Verdrag van Genève een uitzonderingregeling is op maat gemaakt om tegemoet te komen aan de specifiek situatie van de Palestijnse Vluchtelingen. De personen die geregistreerd zijn bij UNRWA kunnen, juist omwille van de socio-economische situatie die veroorzaakt wordt door het Israëlisch -Palestijns conflict, materiële en humanitaire bijstand genieten van UNRWA. Zolang personen deze bijstand nog kunnen genieten, worden ze uitgesloten van de vluchtelingenstatus.
Da Raad benadrukt dat uit de beschikbare informatie blijkt dat UNRWA op heden nog steeds bijstand levert aan de Palestijnse vluchtelingen in Gaza en nog steeds in staat is om zijn opdracht te volbrengen.
Echter kan een persoon bewijzen dat de bijstand van UNRWA om welke reden dan ook is opgehouden. De Raad verwijst hier naar het arrest “El Kott” van het Hof van Justitie, waarin het Hof oordeelt dat het niet voldoende is dat personen zich buiten het mandaatgebied van UNWRA bevinden. Om te oordelen of de bijstand is opgehouden te bestaan, dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met individuele factoren om na te gaan of een persoon om redenen buiten zijn wil de bijstand van UNRWA niet meer kan genieten.De Raad houdt rekening met de Arrest van het Hof van Justitie “ El Kott”, waarin de Raad heeft besloten dat de bevoegde autoriteiten voor het aanvraag van internationale bescherming rekening moeten houden met individuele relevante factoren alvorens een besluit te nemen. Er werd echter niet gespecificeerd welke factoren erbij betrokken waren.
De Raad is van mening dat deze factoren relevant kunnen zijn: de algemene veiligheidssituatie, de redenen voor het verzoek om internationale bescherming, de socio-economische situatie van de verzoeker en ten slotte alle andere elementen die specifiek zijn aan de persoonlijke situatie van de verzoeker.
De Raad houdt rekening met de persoonlijke situatie van de cliënt en met verschillende medische attesten en een psychiatrische rapport van de Artsen Zonder Grenzen om te zeggen dat de cliënt omwille van zijn gezondheidstoestand zeer kwetsbaar is
Rekening houdend met het psychiatrische verslag, de nood aan medische opvolging en medicatie, de financieringsproblemen bij UNRWA die de medische programma’s beïnvloedt en de volatiele veiligheidssituatie in Gaza, concludeert de Raad dat de cliënt, gelet op artikel 1D van het Verdrag van Genee, van rechtswege dient te worden erkend als vluchteling.

Download "191118-RVV-232-915.pdf"

Arrest RVV nr. 231 707 van 28 november 2019

Feiten: Het betreft een Afghaanse man uit het dorp Kompany, district Paghman, provincie Kaboel. Hij ontvluchtte Afghanistan uit vrees voor de taliban omwille van zijn werk voor een Amerikaans transportbedrijf en omwille van een conflict met het dorpshoofd en zijn neef. De cliënt verklaart mishandeld te zijn door de taliban en hij zegt dat de taliban zijn vrachtwagen en goederen hebben gestolen. De cliënt ontving op 8 augustus 2015 een dreigbrief van de taliban, waarna hij een week later Afghanistan definitief verliet. Hij diende een verzoek om internationale bescherming in op 9 december 2015.
Het CGVS weigert bij beslissing van 21 maart 2019 de internationale bescherming aan de cliënt omdat ze meent dat er geen reëel risico op schade is in Kaboel. Het CGVS twijfelt onder meer aan het feit dat de problemen van de cliënt het gevolg zijn van zijn tewerkstelling bij het Amerikaans bedrijf. Ze twijfelt ook aan de echtheid van de dreigbrief omdat er incoherenties zijn tussen de datum van verzending van deze brief en de datum van vertrek van de cliënt. Bovendien is het CGVS van mening dat het conflict tussen de cliënt en het dorpshoofd niet duidelijk is. De cliënt tekende op 18 april 2019 beroep aan tegen de beslissing.

Arrest: De Raad stelt vast dat dat de vrees van de cliënt volgt uit zijn tewerkstelling voor een Amerikaans transportbedrijf en uit het feit dat de taliban zijn vrachtwagen met zijn goederen hebben gestolen. De tewerkstelling bij het bedrijf wordt in de bestreden beslissing niet betwist door het CGVS, maar enkel dat zijn problemen met de taliban het gevolg zouden zijn van deze tewerkstelling.
Op basis van de rapporten “UNHCR Eligibility Guidelines for assessing the international protection needs of asylumseekers from Afghanistan, van 30augustus 2018” en “ EASO Country Guidance note: Afghanistan, van mei 2018” stelt de Raad vast dat personen die geassocieerd zijn of worden met de Afghaanse overheid of met internationale legers het risico lopen op vervolging door rebellen, zonder te kunnen rekenen op effectieve bescherming van de Afghaanse overheid. Bijgevolg vormt dit een risicoprofiel waarvoor een grondig onderzoek vereist is.
De Raad vernietigt de beslissing en stuurt het dossier terug naar het CGVS voor bijkomend onderzoek. De Raad oordeelt dat de banden tussen het Amerikaans transportbedrijf en de cliënt niet zijn onderzocht door het CGVS. Het CGVS moet meer informatie bekomen over de organisatie waar de cliënt werkte, en meer specifiek wat betreft hun banden met internationale legers, de eventuele problemen die andere werknemers of verantwoordelijken hebben ondervonden en de functie van de cliënt in het bedrijf. Daarnaast moet het CGVS een nieuw onderzoek voeren naar het risico dat een persoon met dergelijk profiel loopt in Afghanistan, indien nodig met een nieuw persoonlijk onderhoud.
Het CGVS moet bovendien bijkomende actuele informatie verkrijgen over de veiligheidstoestand in het district Paghman, provincie Kaboel.

Download "191128-RVV-231-707.pdf"

Arrest RVV nr. 228 891 van 18 november 2019

Feiten: een Afghaanse jongeman uit het dorp Dande Barakt Khan, district Surkh Rod, provincie Nangarhar diende op 18 december 2015 een verzoek om internationale bescherming in. Hij vreest de taliban omwille van de tewerkstelling van zijn broer bij het Amerikaans leger. De taliban had reeds zijn vader vermoord en zijn broer ontvoerd, voordat de cliënt besloot te vluchten.

Beoordeling: het CGVS nam een negatieve beslissing omdat ze geen geloof hechtte aan de herkomst van de cliënt, zijn afkomst uit een landbouwfamilie, zijn eigen tewerkstelling als landbouwer en zijn verklaringen over de problemen met de taliban omwille van de tewerkstelling van zijn broer.
De Raad gaat niet akkoord met de motivatie van het CGVS en oordeelt dat op basis van een grondige lezing van het administratieve dossier, de voorgelegde documenten van de cliënt, en zijn profiel (nl. analfabete landbouwer die voornamelijk in zijn dorp woonde, slechts 18 jaar oud op het moment van de feiten) zijn verklaringen geloofwaardig en bewezen zijn.
Over de herkomst van de cliënt oordeelt de RvV dat het CGVS dit niet redelijk ter discussie stelt. De motivatie van het CGVS geeft blijk van incoherentie en tegenstrijdigheden. In de bestreden beslissing wordt eerst geargumenteerd dat de cliënt niet afkomstig is uit het district Surkh Rod terwijl ze later in de beslissing stelt dat de cliënt niet afkomstig is uit het district Deh Bala. In een aanvullende nota van het CGVS wordt dan weer de herkomst uit het district Surkh Rod niet in vraag gesteld.
Wat betreft de verklaringen van de cliënt omtrent zijn tewerkstelling als landbouwer, zijn herkomst en de problemen met de taliban meent de Raad dat op basis van het administratieve dossier – en gelet op zijn specifiek profiel – blijkt dat de cliënt steeds consistente en volledige verklaringen heeft afgelegd. Enige onvolledigheden in de verklaringen van de cliënt zijn verwaarloosbaar of perfect verklaarbaar gezien het profiel van de cliënt. De cliënt heeft bovendien heel wat identiteitsdocumenten en documenten van het Amerikaanse leger neergelegd, waarvan de authenticiteit niet wordt betwist door het CGVS.
Ten slotte stelt de RvV dat het CGVS niet aan zijn motiveringsplicht heeft gedaan betreffende de voorgelegde documenten. Het CGVS stelt dat documenten slechts een ondersteunende waarde hebben voor een geloofwaardig verhaal, maar hiermee ontneemt het CGVS elk nuttig effect van een document als ze niet grondig onderzoekt of het document het verhaal kan bevestigen. Daarnaast ontbreekt van een aantal documenten de vertaling, waardoor de RvV zich evenmin kan aansluiten bij de motivatie van het CGVS.
De RvV acht de verklaringen van de cliënt bewezen en kent hem de vluchtelingenstatus toe.

Download "001_20191126_124936_20191126130402552-61078.pdf"

Rechtbank van eerste aanleg Brugge van 7 oktober 2019

Feiten: de nationaliteitsverklaring van een man van Nigeriaanse afkomst krijgt een negatief advies van het Openbaar Ministerie, omwille van het feit dat de man in het verleden twee visumaanvragen indiende waarbij hij zijn burgerlijke staat als gehuwd invulde, hoewel hij in werkelijkheid niet gehuwd was. Volgens het Openbaar Ministerie staat ten gevolge hiervan de identiteit van de man niet. Tegen dit advies werd beroep aangetekend.

Beslissing: hoewel de man tweemaal een visum aanvroeg met verwijzing naar een gehuwde burgerlijke staat, maakt de man vanaf zijn verblijf in België duidelijk dat dit niet de waarheid was. De man had ervoor gekozen om te liegen over zijn burgerlijke stand, omdat hij ervan overtuigd was dat het voor hem makkelijker zou zijn om Nigeria te ontvluchten indien hij gehuwd zou zijn. De man erkent deze fout, maar benadrukt dat dit niet eeuwig tegen hem gebruikt kan worden.

De man legt een heleboel documenten voor die aantonen dat hij tot heden niet (juridisch) gehuwd is. Het betreft vooreerst een attest waarin zijn ongehuwde staat wordt vermeld en dat voorgelegd werd bij een verklaring tot wettelijke samenwoning. Gezien deze wettelijke samenwoning werd goedgekeurd, werd het attest van ongehuwde staat in het verleden aanvaard door de bevoegde diensten.

Daarnaast legt de man ook een verklaring van de ambassade van Nigeria, een akte van bekendheid die de ongehuwde staat van de man bevestigd en verklaringen van kennissen van verzoeker die attesteren dat hij ongehuwd is voor.

Op basis van bovenstaande elementen besluit de rechtbank dat er onvoldoende elementen zijn om te besluiten dat verzoeker ongehuwd is of dat zijn identiteit niet kan worden gewaarborgd. Bijgevolg wordt het negatief advies van het Openbaar Ministerie ongegrond verklaard.

Download "191007-REA-Brugge.pdf"

Arrest RVV nr. 226 612 van 25 september 2019

Feiten: Man met Palestijnse origine werd erkend als vluchteling. Op basis van deze erkenning diende zijn echtgenote een aanvraag visum gezinshereniging in op basis van artikel 10 van de Vreemdelingenwet. De Dienst Vreemdelingenzaken weigerde de aanvraag omdat zij de voorlegde huwelijksakte niet erkenden en van oordeel zijn dat de man, in het kader van zijn verzoek tot internationale bescherming, ‘leugenachtige’ verklaringen had afgelegd. Immers, de man had zijn huwelijk niet vermeld tijdens het eerste interview op de Dienst Vreemdelingenzaken gelet op een conflict met de schoonfamilie. Tijdens z’n persoonlijk onderhoud op het Commissariaat – generaal vermeldt de man het huwelijk wél, zodat er, volgens de Dienst Vreemdelingenzaken, sprake is van tegenstrijdige verklaringen.

De visumaanvraag werd ingediend via het Consulaat – Generaal van Jeruzalem, terwijl de vrouw ondertussen in Griekenland verblijft.

Beslissing: Het feit dat de vrouw ondertussen in Griekenland verblijft, aldaar een asielaanvraag heeft ingediend én haar verzoek tot overdracht naar België in het kader van de Dublinverordening werd geweigerd, wil niet zeggen dat zij geen belang meer zou hebben met een vernietiging van de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken, genomen in het kader van haar visumaanvraag. In tegendeel, de RVV is nét van oordeel dat dit het belang van de verzoekende partij verstrekt gezien de weigering tot overdracht in het kader van de Dublinverordening werd gesteund op dezelfde motieven.

Wat betreft de tegenstrijdige verklaringen stelt de RVV vast dat de Dienst Vreemdelingenzaken haar zorgvuldigheidsplicht schendt. Immers, uit het administratief dossier blijkt dat de echtgenoot van de verzoekende partij het huwelijk wél had vermeldt tijdens zijn persoonlijk onderhoud op het Commissariaat – Generaal. Eveneens vermeldde hij toen de redenen waarom hij het huwelijk niet had aangehaald tijdens zijn eerste interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Bijgevolg had de Dienst Vreemdelingenzaken moeten rekening houden met alle verklaringen van de echtgenoot, zowel afgelegd tijdens het eerste interview als deze afgelegd tijdens het persoonlijk onderhoud van het CGVS. Bovendien, om de formele motiveringsplicht te waarborgen, komt het DVZ toe de redenen aan te halen waarom de latere verklaringen van de echtgenoot niet voldoende zijn om de tegenstrijdigheid tussen de huwelijksakte en de verklaringen van de echtgenoot bij DVZ recht te zetten. De RVV concludeert bijgevolg dat de motiveringen van DVZ niet voldoende / adequaat zijn, waardoor de beslissing van DVZ werd vernietigd.

Download "arrest-RVV-nr.-226-612-van-25-september-2019-50029.pdf"

Arrest RVV nr. 225 598 van 2 september 2019

Feiten: het betreft een Albaanse man die zijn thuisland is ontvlucht omwille van de blijvende gevolgen van bloedwraak die is ontstaan in 2013. De broer en moeder van de cliënt werden respectievelijk in 2015 en 2016 erkend als vluchteling in België omdat het CGVS het bestaan van de bloedwraak en de gebrekkige bescherming door de Albaanse autoriteiten erkende.

Het verzoek van de cliënt werd afgewezen omdat er geen geloof gehecht kon worden aan de bewering dat hij 6 jaar na het ontstaan van de bloedwraak nog steeds de gevolgen draagt. Het CGVS argumenteert dat de cliënt zich vrij kon bewegen in Albanië en dat de politionele en juridische bescherming in Albanië effectief is.

Beoordeling: De Raad benadrukt dat de broer en zus van de cliënt erkend zijn als vluchteling en nog steeds erkend zijn. Dit betekent dat het CGVS meent dat er een gegronde vrees bestaat en geen effectieve bescherming in Albanië is. Door nu te oordelen dat de motieven van de cliënt niet pertinent zijn, doet het CGVS afbreuk aan de ernst en de geloofwaardigheid van de vrees voor vervolging in hoofde van de broer en zus. Het is de Raad niet duidelijk waarom de redenen van de cliënt niet kunnen leiden tot internationale bescherming, terwijl dit voor zijn broer en moeder wel het geval was.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vernietigt de beslissing van het CGVS en stuurt het dossier terug voor een nieuwe beoordeling.

Download "001_20190909_133541_scan20190909133435-35219.pdf"

Arrest RVV nr. rolnummer 224 118 van 19 juli 2019

Feiten: het betreft een Afghaanse man die geboren en getogen is in Pakistan. Eind 2014 keerde hij terug naar het district Kama in de provincie Nangarhar, waar hij problemen kreeg met de taliban. Hij vluchtte naar België en diende een eerste verzoek om internationale bescherming in op 15 juli 2015. Zijn procedure werd negatief afgesloten door de RVV op 17 oktober 2016

Vervolgens dient de man op 23 november 2016 een volgend verzoek om internationale bescherming in. Hij volhardt in zijn asielmotieven en legde bewijzen voor van zijn leven in Pakistan. Bij beslissing van 20 november 2017 weigert het CGVS hem de vluchtelingenstatus en subsidiaire beschermingsstatus.

Beoordeling: De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen treedt het CGVS bij wat betreft de beoordeling voor de toekenning van de vluchtelingenstatus. Er wordt geen geloof gehecht aan zijn problemen met de Taliban en de bewering dat hij een risico loopt bij terugkeer naar Afghanistan omdat hij zijn vormende jaren in Pakistan heeft doorgebracht en lang in West-Europa heeft verbleven.
Wat betreft de nood aan subsidiaire bescherming vernietigt de RvV de beslissing waar het CGVS meent dat verzoeker over een intern vluchtalternatief beschikt in Jalalabad. Het CGVS baseert zich op bronnen van 9 juni 2017 wat bezwaarlijk actueel te noemen is. Het dossier wordt teruggestuurd naar het CGVS voor bijkomend onderzoek.

Download "002_20190808_120938_FileName-27990-27991.pdf"

Arrest RVV nr. 223 787 van 9 juli 2019

Feiten: een vrouw uit Guinee ontvangt een bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 13).

Beslissing: de RVV vernietigt het bevel om het grondgebied te verlaten. Het betekende bevel is zeer algemeen geformuleerd en houdt geen rekening met de persoonlijke omstandigheden van cliënte. In het verzoekschrift worden twee middelen uitgewerkt. Vooreerst wordt aangehaald dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met het hoger belang van de twee minderjarige kinderen. Daarnaast wordt er in de bestreden beslissing geen onderzoek gevoerd naar de vrees van de verzoekende partij om bij een terugkeer naar Guinee het slachtoffer te worden van vrouwelijke genitale verminking.

De RVV stelt in een beschikking dat er door de Belgische Staat geen administratief dossier, noch een nota met opmerkingen ter beschikking werd gesteld aan de RVV. Hierdoor is het niet mogelijk om een wettigheidscontrole uit te voeren, waardoor het bevel om het grondgebied te verlaten vernietigd moet worden.

Aangezien partijen na deze beschikking niet vragen om gehoord te worden, wordt het beroep ingewilligd en het bevel om het grondgebied te verlaten vernietigd.

Download "190709-RVV-223-787-24405.pdf"

Arrest RVV nr. 219 231 van 29 maart 2019

Feiten: de cliënt is een etnische Hazara afkomstig uit de provincie Ghazni in Afghanistan. Hij is Afghanistan ontvlucht uit vrees voor de taliban. Hij werd aangesproken omwille van de beroepsactiviteiten van zijn vader. Het CGVS weigerde hem zowel de vluchtelingenstatus als de subsidiaire bescherming. Wat betreft de subsidiaire bescherming oordeelde het CGVS dat er geen intern vluchtalternatief (IVA) onderzocht kon worden omdat de cliënt gebrekkig meewerkte op dit punt.

Beslissing: de RVV bevestigt de weigering van de vluchtelingenstatus, maar vernietigt de beslissing betreffende de subsidiaire bescherming.

De RVV bevestigt dat er geen nood is aan subsidiaire bescherming indien de verzoeker zich redelijkerwijs in een ander deel van zijn land van herkomst kan vestigen én hij daar geen ernstig risico op schade loopt. Het CGVS oordeelde dat er geen subsidiaire bescherming kon worden toegekend omdat de verzoeker niet meewerkte bij de beoordeling naar de mogelijkheid van een IVA.

Hierdoor geeft het CGVS op impliciete wijze aan dat de verzoeker op basis van zijn regio van herkomst in aanmerking zou komen voor subsidiaire bescherming, indien uit onderzoek had kunnen blijken dat er voor de verzoeker geen IVA mogelijk was. Echter, stelt de RVV, blijkt nergens uit de bestreden beslissing dat het CGVS een onderzoek heeft gedaan naar de algemene veiligheidssituatie in de regio van herkomst van de verzoeker, noch heeft ze onderzocht of de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker het risico op schade ernstig verhogen (conform artikel 48/4, §2, c). Omdat de bestreden beslissing en het verzoekschrift dateren van 2017 kan de RVV geen nuttige beoordeling maken over de actuele veiligheidssituatie in de regio van herkomst van verzoeker. Het dossier wordt daarom teruggestuurd naar het CGVS voor bijkomend onderzoek naar de actuele veiligheidssituatie in de regio van herkomst.

 

Download "190329-RVV-219-308-2.pdf"

Arrest RVV nr. 220 482 van 30 april 2019

Feiten: Man van Irakese nationaliteit werd, net zoals zijn echtgenote en kinderen, erkend als vluchteling. De man leeft gescheiden van zijn echtgenote én krijgt zijn kinderen door de ex – echtgenote niet te zien. Nadat het CGVS vernam dat er, betreffende het statuut van de man, nieuwe elementen zouden zijn, werd deze opnieuw uitgenodigd door het CGVS voor een bijkomend persoonlijk onderhoud. Maar door de familiale problemen, mentale gezondheidsproblemen en problemen met zijn adres ontving de cliënt geen oproepingen van het CGVS. De beslissing van het CGVS, waarbij het statuut van deze man werd ingetrokken, werd laattijdig ontvangen, d.w.z. na het verlopen van de beroepstermijn, zodat tegen deze beslissing geen beroep kon worden aangetekend. Op 16 oktober 2018 werd aan deze een beslissing einde verblijf, met bevel om het grondgebied te verlaten, afgeleverd.

Beslissing: De RVV stelt vast dat de bestreden beslissing geen rekening houdt met het gezinsleven van de verzoekende partij en dus artikel 8 E.V.R.M. schendt. Het feit dat de vader niet zou bijdragen in het onderwijs of opvoeding van de kinderen, doet in deze geen afbreuk aan bovengaande vaststelling. Het is immers slechts in vrij uitzonderlijke omstandigheden dat men zou kunnen denken dat het gezinsleven niet meer bestaat. De scheiding of echtscheiding van de ouders vormt geen dergelijke omstandigheid, evenmin het episodische karakter van de relaties tussen het kind en de ouder die niet de voogdij heeft.

 

 

Download "190430-RVV-220482.pdf"

Arrest RVV nr. 219 784 van 15 april 2019

Feiten: Man van Afghaanse nationaliteit werd erkend als vluchteling. Zijn echtgenote diende een aanvraag tot het verkrijgen van een visum gezinshereniging in op basis van artikel 10 van de Vreemdelingenwet. De Dienst Vreemdelingenzaken weigerde de aanvraag aangezien zij meent dat de man niet over voldoende inkomsten beschikt. Hij werkte immers via interim-contracten waarbij zijn inkomsten werden aangevuld met een werkloosheidsuitkering.

Beslissing: De weigeringsbeslissing werd vernietigd. Artikel 10, §5 van de Vreemdelingenwet stelt dat werkloosheidsuitkeringen in aanmerking genomen moeten worden bij de berekening van de inkomsten indien de te vervoegen persoon aantoont dat hij actief naar werk zoekt. Het feit dat de man interim-werk doet toont aan dat hij actief op zoek is naar werk. Bovendien werd een overzicht van de vaste kosten aan DVZ overgemaakt waaruit blijkt dat de man niet terugvalt op de sociale zekerheid. DVZ heeft echter geen behoefteanalyse gedaan en heeft hiermee artikel 12bis, §2, 4e alinea geschonden.

Download "190415-RVV-219-784.pdf"

arrest RVV 218 811 en 218 812 van 25 maart 2019

Feiten: Het betreft een gezin uit Libanon met twee jonge kinderen, respectievelijk geboren in 2002 en 2007. Op 8 april 2015 dient het gezin een verzoek om internationale bescherming in, dat werd geweigerd door het CGVS op 7 juli 2017. Op 18 juli 2017 wordt een bevel op het grondgebied te verlaten – asielzoeker (bijlage 13quinquies) betekend aan het gezin.

Beslissing: De RVV stelt vast dat het bevel geen rekening houdt met de belangen van de kinderen en dus artikel 74/13 VW schendt. De jonge kinderen zijn op het moment van de afgifte van het bevel al 2 jaar in België, ze lopen er school en kennen enkel nog de Belgische cultuur, normen en waarden. Artikel 7 VW moet in combinatie gelezen worden met artikel 75 VW én artikel 74/13 VW zodat de belangen van de kinderen moeten beoordeeld worden bij de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten.

Download "190325-RVV-218-811.pdf"

Arrest RVV nr. rolnummer 218 588 van 21 maart 2019

Feiten: het betreft een Surinaamse man, die samen met zijn moeder en halfbroer in België woont. Betrokkene heeft een zeer zware handicap, zowel fysiek als geestelijk. Op 14 december 2017 werd aan betrokkene een bevel om het grondgebied te verlaten afgeleverd.

 

Beslissing: bij het nemen van een verwijderingsmaatregel moet rekening gehouden worden met de gezondheidstoestand van de betrokkene. Hoewel er geen medisch attest in het administratief dossier van betrokkene zit, was er wel een politieverslag aanwezig dat de ernstige mentale handicap en zorgbehoevendheid van betrokkene meldt. De Belgische Staat was dus op de hoogte, of diende op de hoogte te zijn, van de gezondheidstoestand van betrokkene.

Het feit dat er geen verblijfsprocedure op medische gronden werd opgestart, doet geen afbreuk aan de zorgvuldigheidsplicht van de Belgische staat om met deze gezondheidstoestand rekening te houden.

Download "190321-RVV-218588.pdf"

Arrest RVV nr. rolnummer 216 358 van 4 februari 2019

Feiten: Een Irakese man diende op 24 juni 2015 een verzoek om internationale bescherming in. Hij ontvluchtte Irak wegens een stammenconflict. Zijn verzoek werd 2 keer geweigerd door het CGVS, maar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stuurde beide keren het dossier terug naar het CGVS voor verder onderzoek (arrest RvV nr. 162 548 van 26 februari 2019 en arrest RvV nr. 201 936 van 30 maart 2018). Het CGVS weigerde op 26 juli 2018 een derde keer de internationale bescherming aan de cliënt. De RvV kende de vluchtelingenstatus toe aan de cliënt.

Beslissing: het CGVS wees drie keer het verzoek om internationale bescherming van de cliënt af omdat ze meende dat er onduidelijkheden en tegenstrijdigheden waren in zijn verhaal. De RvV vernietigde de eerste twee beslissingen en verzocht het CGVS om bijkomend onderzoek te voeren.

De RvV stelt vast dat bij de derde beslissing het CGVS geen enkel nieuw onderzoek heeft gevoerd. De RvV is van oordeel dat de vermeende onduidelijkheden en tegenstrijdigheden niet af te leiden zijn uit het administratief dossier en dat ze voornamelijk betrekking hebben op oppervlakkige elementen die niet werden onderzocht door het CGVS.

Na onderzoek van het volledige dossier, namelijk de vele bedreigingen die de cliënt heeft gekregen, de dood van zijn vader die niet wordt betwist door het CGVS, de vlucht van zijn familie naar Turkije, de verwoesting van zijn kapperszaak, het ontbreken van enige aanwijzing die de verklaringen van de cliënt tegenspreekt, de veiligheid in Irak en de lange duur van de procedure, meent de RvV dat de onduidelijkheden in de verklaringen van de cliënt zijn geloofwaardigheid niet in de weg staan. Ze is eveneens van oordeel dat een nieuw onderzoek door het CGVS geen nieuwe verduidelijkingen zal brengen. Daarom kent de RvV de vluchtelingenstatus toe aan de cliënt.

De RvV geeft nog mee aan het CGVS dat een beweerde onvoorzichtigheid van een cliënt na bedreigingen in zijn land van herkomst geen voorwaarde is van artikel 48/3 Vw. Ze herhaalt ook dat wanneer de geloofwaardigheid van de cliënt betwist wordt, dit niet wegneemt dat het CGVS grondig onderzoek moet voeren naar de persoonlijke vrees van de cliënt en zijn verklaringen omtrent feiten die vaststaan.

Arrest RVV nr. rolnummer 216 869 van 25 februari 2019

Feiten: Een Afghaanse man diende een verzoek om internationale bescherming in 20 oktober 2017. Op basis van vingerafdrukken in het EURODAC-systeem, werd op 6 november 2017 een terugnameverzoek aan Kroatië gericht. Op 17 november 2017 stemde Kroatië in met de terugname.

Op 25 januari 2018 werd aan de cliënt een beslissing tot weigering van verblijf en bevel het grondgebied te verlaten (bijlage 26quater) betekend. Bij gebrek aan verblijfplaats verblijft de cliënt in het Maximiliaanpark. Dit wordt zo gecommuniceerd aan DVZ, samen met een gsm-nummer van de cliënt waarop hij steeds bereikbaar is.

Op 11 april 2018 neemt de Belgische staat impliciet de beslissing om de overdrachtstermijn van 6 maanden te verlengen naar 18 maanden, omdat ze meent dat cliënt is “ondergedoken”. Deze verlenging wordt zonder succes aangevochten bij uiterst dringende noodzakelijkheid.

Op 18 oktober 2018 velt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een arrest waarbij de debatten inzake het beroep tegen de bijlage 26quater opnieuw worden geopend.

Op 14 november 2018 werd een beslissing tot vasthouding betekend. Deze vasthouding werd succesvol aangevochten bij uiterst dringende noodzakelijkheid omdat de uitvoering van de bijlage 26quater imminent is geworden. De Raad schorst de uitvoering van de bijlage 26quater.

Beoordeling: Bij arrest van 25 februari 2019 heropent de RvV de debatten m.b.t. de bijlage 26quater. Ze is nog steeds van oordeel dat er geen uitspraak kan worden gedaan over het beroep tot schorsing van de uitvoering van de bijlage 26quater zolang er geen definitieve uitspraak is over de wettigheid van de verlenging van de termijn van overdracht.

Download "190225-RVV-216869.pdf"

Arrest RVV nr. rolnummer 217 489 van 26 februari 2019

Feiten: De cliënt is een 15-jarige niet-begeleide jongeman die in februari 2016 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Hij is afkomstig uit het district Behsud in de provincie Nangarhar in Afhganistan. De cliënt ontvluchte Afghanistan uit vrees voor onbekende mannen die hem hadden ontvoerd en bedreigd. Op 15 maart 2018 neemt het CGVS een weigeringsbeslissing. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kent hem de subsidiaire beschermingsstatus toe.

Beslissing: De RvV bevestigt de beslissing van het CGVS m.b.t. de argumentatie over de vluchtelingenstatus. De Raad meent dat de cliënt zijn persoonlijke vrees niet aannemelijk heeft gemaakt.

Wat betreft de subsidiaire bescherming herhaalt de Raad dat er geen twijfel is aan de afkomst van de cliënt uit het district Behsud in de provincie Nangarhar. De Raad spreekt de beoordeling van het CGVS tegen dat de huidige veiligheidssituatie niet van dien aard is dat er sprake is van willekeurig geweld in het kader van een intern gewapend conflict. Ze meent dat de jonge leeftijd van de cliënt in het huidige geweldsniveau het risico vergroot dat hij blootgesteld zal worden aan willekeurig geweld. De RvV kent hem de subsidiaire beschermingsstatus toe.

Download "190226-RVV-217489.pdf"

Arrest RVV 218 062 van 11 maart 2019

Feiten: Het betreft een Afghaanse man afkomstig uit de provincie Nangarhar, district Khogyani. Hij was werkzaam voor een aantal buitenlandse bouwbedrijven en werd hierdoor bedreigd door de Taliban. Zijn verzoek tot internationale bescherming werd eind 2017 door het CGVS geweigerd. Het CGVS oordeelde dat de bedreigingen door de Taliban die hij inriep niet geloofwaardig waren.

Beslissing: In dit arrest wordt verzoeker erkend als vluchteling. Het feit dat verzoeker een universitair diploma heeft, voor meerdere internationale bedrijven heeft gewerkt en dat  vrijwilligerswerk deed om de vrede te bewerkstelligen werden door het CGVS niet betwist. Dit geeft verzoeker een kwetsbaar profiel en zorgt ervoor dat het niet ongeloofwaardig is dat hij werd bedreigd door de Taliban.

Download "190311-RVV-218-062.pdf"

arrest RVV nr 217 609 van 27 februari 2019

Feiten: Het verzoek om internationale bescherming van een jonge man uit Maidan Wardak, district Jalrez werd afgewezen, aangezien het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen van oordeel was dat hij over een redelijk intern vestigingsalternatief beschikt in Kabul.

 

Beslissing: Op basis van nieuwe ‘guidelines’ over terugkeer naar Afghanistan, die UNHCR in augustus 2018 heeft gepubliceerd, oordeelt de Raad nu dat zo’n intern vluchtalternatief niet langer kan weerhouden worden. Ook het persoonlijke profiel van de cliënt speelt hierbij een rol: zijn vader verblijft immers slechts in periodes in Kabul, cliënt heeft nog geen werkervaring en bovendien blijkt niet uit het dossier dat de familie van de cliënt over de nodige financiële ruimte zou beschikken opdat de cliënt zich zou kunnen vestigen in Kabul. Op basis van zijn regio van oorsprong werd aan de cliënt subsidiaire bescherming toegekend.

 

Download "190227-RVV-217-609.pdf"

arrest RVV nr 216 499 van 7 februari 2019

Feiten: Een jonge vrouw uit Suriname wenst samen met haar broer, die aan een zware handicap lijdt haar moeder te vervoegen in België, die hier een permanent verblijfsrecht heeft. Na verloop van het visum kort verblijf wordt aan haar een bevel afgegeven.

Beslissing: De RVV stelt vast dat het bevel onvoldoende gemotiveerd werd omtrent het effect van dit bevel op het gezinsleven van de cliënt, haar moeder én haar broer. Aan de broer met een zware handicap werd nog geen bevel afgegeven, DVZ erkent ook zijn nood aan mantelzorg. Cliënte stond reeds in Suriname in voor zorg van haar broer en haar aanwezigheid in België is vereist omdat haar moeder anders onmogelijk kan gaan werken.

Download "190207-RVV-216-088-1.pdf"

Arrest RVV nr. 213 146 van 29 november 2018

Feiten: Het betreft een ernstig besneden vrouw uit Guinée die bij aankomst in België zwanger was. Zij diende op 24 oktober 2017 een verzoek om internationale bescherming in. Dit verzoek werd geweigerd door het CGVS aangezien de afkomst van verzoekster niet werd geloofd. Ondertussen beviel verzoekster van een kind in België en diende zij een ingreep te ondergaan om de infibulatie ongedaan te maken.

Beslissing: In dit arrest erkent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekster als vluchteling. Het feit dat haar afkomst niet geloofd werd weegt niet op tegen het feit dat zij duidelijk zwaar besneden werd. De Raad besliste dan ook dat het risico dat zij zou lopen in Guinée om opnieuw besneden te worden te groot is.

Download "181129-RVV-213-146.pdf"

Rechtbank van Eerste Aanleg Brugge van 15 oktober 2018

Feiten: De Nationaliteitsverkaring van een man van Nepalese afkomst krijgt een negatief advies van het Openbaar Ministerie, aangezien hij in het verleden werd veroordeeld, wegens gebruikmaking van een vals Nepalees rijbewijs. Tegen dit advies werd beroep aangetekend. 

Beslissing: Hoewel de Rechtbank van Eerste Aanleg wel degelijk oordeelt dat gebruikmaking van een vals rijbewijs inderdaad een ernstig misdrijf is,  besloot de rechter dat in de concrete omstandigheden niet geoordeeld kon worden dat dit feit zo zwaar doorweegt dat het de nationaliteitsverwerving in de weg staat. Het betrof een veroordeling van 2009, waarbij verzoeker werd veroordeeld tot een straf met uitstel. Alle boetes werden betaald en verzoeker heeft steeds full time gewerkt. 

Download "181015-Vonnis-REA-Brugge.pdf"

Arrest RVV nr. 222 861

Feiten: in dit arrest vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voor de tweede maal een weigeringsbeslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. In haar eerste arrest oordeelde de Raad dat het CGVS onvoldoende rekening had gehouden met de psychologische kwetsbaarheid van de man. De RVV droeg het CGVS op om een nieuwe beslissing te nemen waarbij de kwetsbaarheid van de man in rekening wordt genomen.

Beslissing: de RVV oordeelt dat het CGVS in zijn nieuwe beslissing evenmin rekening heeft gehouden met de psychologische kwetsbaarheid van de man. Om te vermijden dat bij een nieuwe beslissing het CGVS de kwetsbaarheid weer naast zich zou neerleggen, beveelt de RVV concrete onderzoeksmaatregelen. Het CGVS moet een expert aanstellen die moet oordelen over de ernst en het bestaan van psychologische klachten bij de man en het moet het verzoek om internationale bescherming beoordelen in het licht van deze expertise.

Download "181008-CCE-222-861.pdf"

Arrest nr. 206 675 van 10 juli 2018

Feiten: Aan een Indische man die geen verzoek om internationale bescherming indiende in België werd een bevel om het grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering betekend. De cliënt werd vast gehouden in een gesloten centrum en uitte een vrees ten aanzien van India ten gevolge van een kastetwist. Er werd een UDN procedure opgestart om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te bekomen.

Beslissing: Er wordt een schending aangenomen van artikel 3 EVRM doordat de verwerende partij naliet om een toetsing te doen aan artikel 3 EVRM alvorens een uitvoerbare beslissing uit te vaardigen. Aanvankelijk ging de Dienst Vreemdelingenzaken er immers van uit dat het om een Dublin-transfer zou gaan. Het betoog van verwerende partij dat zij deze toetsing zou doen alvorens de beslissing uit te voeren kan niet gevolgd worden. De schorsing van de beslissing werd bevolen.

Download "180710-RVV-206675.pdf"

Arrest RVV nr. 210 548 van 4 oktober 2018

Feiten: Een Eritrese vrouw, die verklaart zwanger te zijn, wordt aangehouden in Zeebrugge. De cliënt wordt vast gehouden in het gesloten centrum van Brugge, waar een Bevel om het grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering (bijlage 13septies) wordt betekend. Zes dagen later wordt een beslissing tot vasthouding op grond van de Dublin III-verordening afgegeven. Tegen het bevel wordt naast een annulatieberoep een verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend. 

Beslissing: omtrent artikel 3 EVRM werd als volgt gemotiveerd: “Gezien betrokkene niet in het bezit is van de vereiste documenten zal de grens waarnaar zij wordt teruggeleid worden bepaald nadat het risico op schending van artikel 3 EVRM werd onderzocht”. Hiermee stelt de Belgische Staat volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een onderzoek naar artikel 3 EVRM uit. Na uitgebreid te verwijzen naar nuttige rechtspraak van de Raad van Staat herhaalt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat een dergelijk onderzoek nochtans dient te plaats te vinden voordat een uitvoerbare verwijderingsbeslissing wordt genomen. 

Dat intussen een navolgende beslissing werd genomen kan bovendien de gebrekkige motivering van een eerste beslissing niet rechtzetten, zo oordeelt de Raad. De handelswijze van de Belgische Staat wordt fundamenteel bekritiseerd aangezien de Raad zo ‘in de volkomen onmogelijkheid wordt gesteld om een effectief rechtsmiddel te bieden wat betreft een eventueel risico op een schending van artikel 3 van het EVRM.

Download "181004-RVV-210-548.pdf"

Arrest RVV nr. 209 553 van 18 september 2018

Feiten: Het betreft een Afghaanse man afkomstig uit de Uzbin gelegen in de provincie Kabul, district Surobi. Verzoeker diende in 2015 een verzoek tot internationale bescherming in. Dit verzoek werd geweigerd door het CGVS. De beslissing van het CGVS werd op 29 november 2017 vernietigd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Er was immers onvoldoende onderzocht of verzoeker afkomstig was uit het hoger gelegen deel van de Uzbin vallei, dat onder controle is van de Taliban. Op 3 april 2018 weigerde het CGVS opnieuw het verzoek tot internationale bescherming van verzoeker.

Beslissing: De Raad vernietigt opnieuw de beslissing en stuurt de zaak terug naar het CGVS om verder onderzoek te doen naar de afkomst van verzoeker. Op deze pertinente vraag werd opnieuw niet geantwoord. Hoewel dit dossier voorheen reeds teruggestuurd werd naar het CGVS bevatte de nieuwe beslissing immers een identieke formulering wat betreft het onderzoek naar subsidiaire bescherming.

Download "180918-RVV-209-553.pdf"

Arrest RVV nr. 210 125 van 27 september 2018

Feiten: Man met een Palestijnse origine werd erkend als vluchteling. Op basis van deze erkenning diende zijn echtgenote een aanvraag visum gezinshereniging in op basis van artikel 10 van de Vreemdelingenwet. De Dienst Vreemdelingenzaken weigerde de aanvraag omdat zij de voorgelegde huwelijksakte niet erkenden en van oordeel zijn dat de man, in het kader van zijn verzoek tot internationale bescherming, ‘leugenachtige’ verklaringen had afgelegd.

Beslissing: De Raad oordeelt dat er in deze sprake is van tegenstrijdige motiveringen. Zo baseert de Dienst Vreemdelingenzaken zich op de eerste verklaringen die de man heeft afgelegd in het kader van zijn verzoek tot internationale bescherming, terwijl de Dienst Vreemdelingenzaken in de bestreden beslissing zélf voorhoudt dat de huwelijksband wordt bewezen door de voorgelegde huwelijksakte. Bovendien verwijst de Raad naar het tweede interview die de man in het kader van zijn verzoek internationale bescherming heeft afgelegd en wordt er vastgesteld dat de man daar wel zijn huwelijk met de verzoekende partij heeft vermeld. De bestreden beslissing wordt vernietigd omwille van een schending van de formele motiveringsverplichting gezien de verzoekende partij niet in de mogelijkheid is om te begrijpen waarom de voorgelegde huwelijksakte niet voldoende is om de huwelijksband te bewijzen.

Download "arrest-RVV-nr.-210-125-van-27-september-2018.pdf"

Arrest RVV nr. 199 498 van 9 februari 2018

Feiten: Een Irakese man wordt de vluchtelingstatus en de subsidiaire bescherming geweigerd. In Irak werd hij als soennitische moslim door sjiitische milities ontvoerd en gefolterd, waardoor hij post-traumatische stress heeft gekregen. Een paar maanden nadat de man was aangekomen in België, is zijn vader fysiek aangevallen door dezelfde sjiitische militie.

Beslissing: De Raad vernietigt de negatieve beslissing van het CGVS omdat ze meent dat er niet voldoende rekening is gehouden met de psychologische problemen van de man, zoals die zijn vastgesteld door een psycholoog in België en een dokter in Irak. Nochtans blijkt duidelijk uit de attesten dat de man symptomen vertoont van post-traumatische stress. De Raad acht de voorgelegde attesten als een voldoende indicatie van het bestaan van foltering of inhumane behandeling in het verleden.

Volgens de Raad is de ontvoering gestoeld op financiële motieven en niet op een criteria zoals vermeld in artikel 1; sectie A, §2 Verdrag van Geneve, waardoor hij niet in aanmerking komt voor het vluchtelingstatuut van artikel 48/3 VW.

De Raad sluit echter niet uit dat een andere conclusie kan worden getrokken indien de kwetsbaarheid van de man beter in rekening wordt gebracht. Nergens blijkt trouwens dat het CGVS op een adequate manier heeft onderzocht of de man onder artikel 45/4, §2, b valt en dus in aanmerking kan komen voor subsidiaire bescherming. De zaak werd teruggestuurd naar het CGVS voor grondiger onderzoek.

Download "180209-RVV-199-498.pdf"

nr. 191 956 van 13 september 2017

Feiten: Irakese man dient beroep in tegen de beslissing tot intrekking van zijn subsidiaire beschermingsstatus. Dit aangezien de man met een Iraaks paspoort naar Bagdad gereisd is en daar een drietal weken verbleven heeft.

Beslissing: artikel 55/5/1 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat het CGVS de subsidiaire beschermingsstatus moet intrekken als het gedrag van de persoon die subsidiaire bescherming geniet, er later op wijst dat hij ab initio geen vrees koestert en daardoor wordt bewezen dat de subsidiaire beschermingsstatus hem indertijd ten onrechte werd toegekend. Een bezoek aan zijn moeder kan bijgevolg geenszins aantonen dat in zijn hoofde ab initio geen reëel risico op het lijden van ernstige schade aanwezig was. Het is niet de individuele situatie van deze man maar de algemene veiligheidssituatie in zijn land/streek van herkomst heeft er echte toe geleid dat aan hem de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend. Echter kan de subsidiaire bescherming wel worden opgeheven indien de omstandigheden niet langer bestaan of zodanig gewijzigd zijn dat deze bescherming niet langer nodig is. Het is bijgevolg niet voldoende dat het CGVS argumenteert dat de situatie in Bagdad actueel niet beantwoord aan artikel 48/8, §2, c). De beslissing werd vernietigd en het dossier werd teruggestuurd naar het CGVS

Download "170913-RVV-191-956.pdf"

Arrest nr. 190 138 van 27 juli 2017

Feiten:  Aan een staatloze man wordt een bevel om het grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering betekend. Er werd een UDN procedure op gestart om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te bekomen.

Beslissing: Aan de eerste voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid werd voldaan aangezien de man werd vastgehouden in een terugkeerplaats. Aan de tweede voorwaarde van de ernst van de aangevoerde middelen werd voldaan aangezien men verwees dat een schending van artikel 3 EVRM en artikel 74/14 van de Vreemdelingenwet reëel was. Dit aangezien de man staatloos is en hij dus geen enkel vaderland heeft om naar gedeporteerd te worden.  Aan de derde voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel werd voldaan aangezien er concrete elementen werden aangehaald die een schending van artikel 3 EVRM zouden opleveren indien de beslissing zou worden uitgevoerd.  De schorsing van de beslissing werd bevolen.

Download "170727-RVV-190138.pdf"

Arrest nr. 184 149 van 21 maart 2017

Feiten:  Een man van Afghaanse nationaliteit dient een aanvraag in tot gezinshereniging. Deze wordt geweigerd zonder bevel om het grondgebied te verlaten. Er kan hem geen gezinshereniging worden toegekend omwille van de ernstige feiten die hij in zijn land van herkomst heeft begaan en die tot een uitsluiting hebben geleid door het CGVS.

Beslissing: Schending artikel 8 EVRM wordt aangehaald omdat verzoeker op geen enkele manier te weten komt waarom de bestreden beslissing niet disproportioneel kan worden geacht. De RVV haalt aan dat het de taak is van de administratieve overheid om een zo nauwkeurig mogelijk onderzoek te doen van de zaak en dit op grond van de omstandigheden waarvan ze kennis hebben of zou moeten hebben. Er dient een fair balance test gevonden te worden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie en het algemeen belang van de Belgische samenleving. Dit gebeurde niet waardoor er zich een schending van de materiële motiveringsplicht in samenhang met artikel 8 EVRM voordoet.

Download "170321-RVV-184-149.pdf"

Arrest nr. 187 093 van 19 mei 2017

Feiten: Aan vrouw van Thaïse afkomst werd visum voor lang verblijf (type D) geweigerd. De aanvraag werd ingediend op oog tot hereniging met de echtgenoot. Het visum werd geweigerd vanwege vermoeden van schijnhuwelijk. De beslissing werd genomen door een attaché bij DVZ in haar verklaarde hoedanigheid van gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie.

Beslissing: De Raad dient ambtshalve te onderzoeken of de beslissing door een bevoegd orgaan werd genomen. Er wordt nergens bepaald dat de staatssecretaris voor Asiel en Migratie deze bevoegdheid kan delegeren. Een delegatie moet toegestaan worden door de regelgever die de betrokken bevoegdheid aan die overheid heeft opgedragen, daarnaast is ook een delegatiebesluit vereist. De beslissing werd vernietigd, aangezien ze genomen werd door een onbevoegd orgaan.

Download "170519-RVV-187-093.pdf"

Arrest nr. 182 871 van 24 februari 2017

Feiten: Afghaanse vrouw diende een aanvraag in tot gezinshereniging met haar man in België die over de subsidiaire beschermingsstatus beschikt.  Deze aanvraag werd geweigerd aangezien DVZ meende dat haar man niet over voldoende inkomsten beschikte. DVZ meende dat er van de 1450 euro (waarvan reeds de bronbelasting werd afgetrokken) er nog veel meer kosten zijn die in rekening dienen genomen te worden. Volgens DVZ zou er dan maar een bedrag van 1211 euro over blijven. Wanneer de huur daar nog eens wordt vanaf getrokken, blijft er enkel nog een bedrag over van 894 euro. Dit voldoet niet aan hun criteria.

Beslissing: De Raad beslist dat DVZ geen rekening hield met de concrete omstandigheden. DVZ ging er zomaar vanuit dat het om een bruto bedrag ging, echter ging het in feite over een netto bedrag. DVZ heeft de inkomsten van verzoeker niet beoordeeld volgens artikel 12bis, §2, alinea 4 van de Vreemdelingenwet. Ze hield geen rekening met alle documenten die door verzoeker werd toegevoegd. De beslissing tot weigering van het visum werd geannuleerd.

Download "170224-CCE-182-871.pdf"

Arrest nr. 180 669 van 12 januari 2017

Feiten: Afghaanse vrouw en kind dienen aanvraag gezinshereniging in om haar Belgische partner respectievelijk vader te vervoegen. DVZ weigert de aanvraag, aangezien ze menen dat de huwelijksakte die is voorgelegd, niet erkend kan worden door de Belgische rechtsorde. Dit aangezien haar partner niet aanwezig was bij de sluiting van het huwelijk. DVZ had de aanvraag om deze reden al eens geweigerd.

Beslissing: DVZ ging eraan voorbij dat er een nieuwe huwelijksakte werd voorgelegd. Het religieuze huwelijk werd namelijk officieel geregistreerd. Beide partners waren toen aanwezig op de rechtbank. De Raad besluit dat blijkt dat de huwelijksakte niet werd bestudeerd en de beslissing van DVZ gebaseerd was op de eerdere beslissingen met betrekking tot de visum aanvraag. Het onderzoek is niet zorgvuldig gebeurd. De beslissing tot weigering van het visum werd vernietigd.

Download "170112-RVV-180-669.pdf"

Arrest nr. 180 019 van 22 december 2016

Feiten: Een vrouw van Congolese afkomst haar aanvraag voor verblijf van meer dan drie maand op basis van familielid zijnde van een EU-burger (moeder van haar minderjarige Nederlands dochter) wordt geweigerd. Dit omdat zij geen loonfiches van haar zelf voorlegt, maar enkel van de vader van het kind.

Beslissing: De Raad verwijst naar rechtspraak van het Hof van Justitie. Uit deze rechtspraak blijkt dat het kind het recht heeft om te worden begeleid door de persoon die er daadwerkelijk voor zorgt. De afhankelijkheid van het kind vloeit voort uit de omstandigheid dat het kind daadwerkelijk wordt verzorgd door de ouder die het verblijfsrecht vraagt deze daadwerkelijke zorg slaat niet enkel op een emotionele zorg maar omvat tevens de materiële zorg voor het kind, bijvoorbeeld voor wat betreft de huisvesting en het levensonderhoud van het kind, alsook het toezicht, de opvoeding en de opleiding van het kind. In casu werd het begrip ‘ten laste’ op kennelijk onredelijke wijze in strijd met deze rechtspraak verengt tot een louter financiële afhankelijkheid. Het is derhalve de minderjarige Unieburger die voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen dienen te beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel van het gastland. Er wordt geen vereiste gesteld over de herkomst van deze bestaansmiddelen. De beslissing werd vernietigd.

Download "161222-RVV-180-019.pdf"

Arrest nr. 177 342 van 4 november 2016

Feiten: Man van Afghaanse afkomst vraagt toelating tot verblijf door middel van gezinshereniging Deze aanvraag wordt onontvankelijk verklaard. De echtgenote en kinderen van de man zijn erkend vluchtelingen en vormen een hecht gezin. Omwille van ernstige feiten gepleegd in thuisland, werd hij uitgesloten van de vluchtelingenstatus door het CGVS. Daarom wordt hem ook de gezinshereniging geweigerd.

Beslissing: De Raad stelt vast dat de Dienst Vreemdelingenzaken in haar beslissing meent dat verzoeker niet moet terugkeren naar Afghanistan en zo erkend dat er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn voor de man om de aanvraag in België in te dienen. Dit gaat over de ontvankelijkheid. Het feit dat de Dienst Vreemdelingenzaken beslist dat de man geen recht heeft op gezinshereniging, behoort tot de beoordeling ten gronde. Er kan dus niet besloten worden tot een onontvankelijkheidsbeslissing. De bestreden beslissing werd vernietigd.

Download "161104-RVV-177-342.pdf"

Arrest RVV nr. 190 280 van 31 juli 2017

Feiten: Man afkomstig uit Gaza en geregistreerd vluchteling bij UNRWA en werd uitgesloten van de Vluchtelingenstatus. CGVS meent dat de ondanks de militaire operaties van Israël en de blokkade van de Gazastrook, de UNWRA toch haar opdracht blijft vervullen. Verder meent het CGVS dat het voor personen die in het buitenland verbleven hebben, het gemakkelijk is om terug te keren naar Gaza. Ook de grensovergang in Rafah wordt door het CGVS als veilig beschouwd. Het CGVS meent dat er geen sprake kan zijn van een onmenselijke of vernederende behandeling indien deze man moet terugkeren naar Gaza

Beslissing: De Raad verwijst uitgebreid naar artikel 3 EVRM. De Raad stelt vast dat de al dramatische humanitaire situatie in de Gazastrook sinds het staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas van 26 augustus 2014 nog verder achteruit is gegaan en dat de wederopbouw vertraagd wordt door een gebrek aan financiële middelen en de Israëlische restricties op het invoeren van bouwmaterialen en dat UNRWA zelf in de problemen zit.  Door het voortdurend en systematisch schending van de fundamentele mensenrechten is er sprake van onmenselijke en vernederende behandelingen ten aanzien van de burgerbevolking in Gaza. De raad besluit ook dat de terugweg niet zo gemakkelijk gaat als het CGVS voorstelde. Verzoeker bevindt zich als Palestijn in de Gazastrook persoonlijk in een situatie van ernstig onveiligheid. Bovendien kan geen veilige terugkeer gegarandeerd worden. Verzoeker wordt verhinderd om in het gebied van UNWRA te komen, waardoor het voor hem onmogelijk is om van de bescherming van de UNWRA te genieten. Verzoeker werd erkend als vluchteling.

Download "170731-RVV-190-280.pdf"

Arrest RVV nr. 191 956 van 13 september 2017

Feiten: Verzoeker is kortstondig afgereisd naar  Bagdad om Ouders, die ziek waren, te bezoeken. Hierop volgt intrekking van Subsidiaire bescherming door CGVS

Beslissing: Intrekking op grond van artikel 55/5/1 Vw gaat enkel over ‘nieuwe elementen’ die moeten leiden tot vaststelling dat aan Vz ‘ab initio’ nooit een statuut had mogen worden toegekend. Terugkeren is dus geen geldig argument voor intrekking op basis van dit artikel.

Als CGVS zelf opheffing op grond van 55/5 Vw in de bestreden beslissing niet aanhaalde heeft RVV er blijkbaar geen probleem mee dat dit in de loop van beroepsprocedure nog wordt onderzocht.

Belangrijk argument bij opheffingen op grond van artikel  55/5 Vw, er moet sprake zijn van een duurzame wijziging van de veiligheidssituatie. Verwijzen naar argumentatie sub. Bescherming volstaat dus niet.

Zaak wordt teruggestuurd. Specifiek onderzoek in licht van artikel 55/5 Vw. is vereist. 

Download "170913-RVV-191-956.pdf"

Arrest RVV nr. 150 157 van 29 juli 2015

Feiten: Man van Afghaanse nationaliteit  diende een aanvraag machtiging verblijf op basis van artikel 9 bis in, deze werd ongegrond verklaard.  Reeds eerder werd  hij uitgesloten van de vluchtelingenstatus wegens aanwezigheid van ernstige redenen om aan te nemen dat betrokkenen zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig misdrijf. Hij heeft een vrouw en kinderen in België dus een schending van artikel 8 EVRM werd aangehaald door hem .

Beslissing:  De Raad besliste dat er in de beslissing tot ongegrondheid er wel een afweging tussen het algemeen belang en de belangen van de verzoeker werd gemaakt. Echter voldoet deze niet aan wat er door artikel 8 EVRM wordt vereist. In de voorbereiding en in de daadwerkelijke beslissing is er geen blijk gegeven van de vereiste proportionaliteitstoets. De Belgische staat kwam hier niet tegemoet in de beoordelingsplicht die  hem in het licht van artikel 8 EVRM toekwam.  De beslissing werd vernietigd.

Download "150729-RVV-150-157.pdf"

Arrest RVV nr. 186 066 van 27 april 2017

Feiten: Een Irakese man werd de vluchtelingenstatus geweigerd. Hij was tewerkgesteld als militair en is Sjiiet. De beslissing wordt in vraag getrokken wat de motivering betreft en het specifieke profiel van de man.

Beslissing: De Raad meent dat er niet met alle elementen rekening werd gehouden bij het nemen van de beslissing. Voornamelijk het militaire profiel werd niet genoeg in overweging genomen. De Raad stuurde het dossier terug naar het CGVS voor verder onderzoek en gaf instructies mee om het specifieke profiel verder te onderzoeken. De vrees van de man ten opzichte van Daesh rekening houdend met zijn militaire profiel te analyseren. Eveneens de nieuwe documenten door de man neergelegd te onderwerpen aan een grondig onderzoek.

Download "170427-RVV-186-066.pdf"

Arrest RVV nr. 170 460 van 23 juni 2016

Feiten: Nepalese nationaliteit, UDN tegen bevel grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering en  inreisverbod. Zonder geldig visum op het grondgebied.  De wettelijke samenwoonst met een vrouw van Belgische nationaliteit werd geweigerd, voordien werd ook reeds het huwelijk geweigerd.  Dit wordt als een contra indicaties beschouwt door de Belgische Staat waardoor ze menen dat er geen schending kan zijn van artikel 8 EVRM.

Beslissing: In het licht van artikel 8 EVRM dient bij het nemen van een verblijfs- en /of verwijderingsbeslissing steeds nauwgezet de individuele en concrete omstandigheden van een bepaald geval te worden onderzocht in het kader van een billijke belangenafweging. Indien kinderen betrokken zijn, dient ook bijzondere aandacht aan de omstandigheden van de betrokken minderjarige kinderen in rekening genomen worden. Nergens in de beslissing werd rekening gehouden met de kinderen van zijn partner. De Raad besluit tot een schending van de motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht in het licht van artikel 8 van het EVRM. Verzoeker dreigde bijgevolg een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te ondergaan. De schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd bevolen aangezien voldaan was aan alle cumulatieve voorwaarden.

Download "160623-RVV-170-460.pdf"

Arrest RVV nr. 166 156 van 20 april 2016

Feiten:  De asielaanvraag van een Irakese man werd geweigerd. De beslissing werd niet grondig gemotiveerd en er werd geen rekening gehouden met het profiel van de man als Soennitische deserteur in een Sjiitisch leger.  Hij vreesde bijgevolg voor mishandelingen.

Beslissing: De Raad komt tot het besluit dat er niet genoeg rekening is gehouden met de verschillende elementen in het dossier om tot een grondige beslissing te komen. Zijn specifieke profiel van Soenniet en deserteur in de huidige van situatie waarin Irak verkeerd en meer specifiek Bagdad werd niet onderzocht.  De COI focus waarop de beslissing van het CGVS gebaseerd was, dateerde ook van 6 maanden eerder, aangezien de situatie in Irak erg volatiel is, kan een beslissing hier niet op gebaseerd worden. De Raad meent dat er door het CGVS een nieuwe evaluatie moet komen van de veiligheidssituatie. De zaak werd teruggestuurd naar het CGVS voor grondiger onderzoek.

Download "160420-RVV-166-156.pdf"

Arrest RVV nr. 146 205 van 4 juni 2014

Feiten:  Een vrouw uit Madagaskar vraagt een verblijf aan van meer dan drie maanden in hoedanigheid van een familielid van een burger van een Unie. De Belgische staat weigerde  het verblijf op basis van geen stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen. Dit aangezien de gezinshereniger enkel een contract van bepaalde duur had. Hij werkte namelijk met seizoensgeboden contracten. De inkomsten van een derde die ook werden neergelegd werden niet in rekening genomen.

Beslissing:  De Raad beslist dat indien het inkomen van de gezinshereniger lager is dan het vermelde referentiebedrag . Het de plicht is van de Belgische Staat om te bepalen welke bestaansmiddelen de verzoekers nodig hebben om in hun behoeften te voorzien zonder ten laste te vallen van de openbare overheden. Indien de Belgische Staat niet over deze informatie beschikt, dient ze hiervoor alle inlichtingen te bekomen. Dit werd in casu niet gedaan.  Er werd niet voldaan aan de motiveringsplicht. De beslissing werd vernietigd.

Download "140604-RVV-146-205.pdf"

Arrest RVV nr. 182 871 van 24 februari 2017

Feiten: Een Afghaanse familie dient een visumaanvraag tot gezinshereniging in die wordt geweigerd wegens onvoldoende bestaansmiddelen. In de bestreden beslissing oordeelt de Belgische staat dat het inkomen van verzoeker verminderd hoort te worden met kosten zoals sociale zekerheid en huur. 

Beslissing: De Raad oordeelt dat de Belgische staat geen rekening houdt met de concrete omstandigheden van de inkomsten van verzoeker. Zo wordt zijn sociale zekerheidsbijdrage bijvoorbeeld betaald door zijn werkgever. De Raad bevestigt dat in concreto moet nagegaan worden of het gezin geen last zou vormen voor de sociale voorzieningen in België.

Download "182-871-CCE-187-976.pdf"

Arrest RVV nr. 177 205 van 28 oktober 2016

Feiten: Een Russische man en vrouw van Tsjetsjeense origine kregen een negatieve beslissing voor hun asielaanvraag. Echter werd hun zoon reeds eerder erkend als vluchteling en leefden ze samen met hem in België.

Beslissing: De Raad meent dat het CGVS geen rekening hield met het statuut van de zoon. Het principe van eenheid van gezin kan zover worden uitgebreid dat die personen niet zelf een vervolgingsreden moeten aanhalen. Het moet immers als een inherente bescherming worden gezien, die het gevolg is van een bepaalde fragiele situatie in de streek van herkomst waaruit ze gedwongen zijn vertrokken of waar ze niet langer van bescherming kunnen genieten. Dit principe kan enkel in het voordeel van de aanvrager worden geïnterpreteerd. De man en vrouw zijn van een oudere leeftijd en zijn afhankelijk van hun zoon in alle opzichten. De zoon wordt aanzien als het hoofd van de familie. Aangezien hij het statuut van vluchteling heeft, wordt aan de personen die afhankelijk zijn van hem eveneens het statuut van vluchteling toegekend zonder dat een grondig onderzoek nodig is naar de persoonlijke vrees. Aan de man en vrouw werd het statuut van vluchteling toegekend.

Download "161028-RVV-177-205.pdf"

Arrest RVV nr. 177 155 van 27 oktober 2016

Feiten: De asielaanvraag van een Irakese man werd geweigerd. Er werd geen geloof gehecht aan zijn vrees tot vervolging. Verschillende tegenstrijdigheden tussen het verhoor van de man en zijn echtgenote. Aan zijn echtgenote werd de subsidiaire beschermingsstatus toegekend. 

Beslissing: Door de Raad werd beslist dat de man en zijn echtgenote wel degelijk eensluidende verklaringen hebben afgelegd in verband met de kernelementen van hun vluchtrelaas. De aangehaalde tegenstrijdigheden zijn onvoldoende zwaarwichtig. De man is een slachtoffer van de toenemende criminaliteit in Bagdad en de corruptie binnen het politieapparaat. Hij heeft een reëel risico op het lijden van ernstige schade in de zin van artikel 48/4, §2, b) van de Vreemdelingenwet. De vrees voor chantage of ontvoerd te worden voor losgeld is gegrond. Bovendien zijn de belagers van de man corrupte politieagenten zodat hij niet op de bescherming van de autoriteiten kan rekening. De Raad hervormde de beslissing van het CGVS en kende de man de subsidiaire beschermingsstatus toe.

Download "161027-RVV-177-155.pdf"

Arrest RVV nr. 180 669 van 12 januari 2017

Feiten: Deze zaak betreft een derde visumaanvraag tot gezinshereniging. De vorige aanvragen waren gebaseerd op een oudere huwelijksakte. Deze aanvragen werden telkens geweigerd omwille van de afwezigheid van erkenning van het huwelijk. Echter wordt de derde visumaanvraag gebaseerd op een stuk waaruit de registratie van het huwelijk blijkt.

Beslissing: Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat de verwerende partij rekening hield met het neergelegde stuk dat aantoont dat het huwelijk tussen verzoekende partijen werd geregistreerd. De motivering van de beslissing tot weigering van de visumaanvraag beperkt zich tot de eerdere weigeringen van de erkenning van het huwelijk. Nochtans was de Belgische Staat op de hoogte aangezien het nieuwe stuk uitdrukkelijk werd vermeld in het aanvraagformulier tot gezinshereniging.

Download "170112-RVV-180-669.pdf"

Arrest RVV nr. 154 164 van 8 oktober 2015

Feiten: Nadat haar asielaanvraag werd geweigerd ontvangt Tibetaanse vrouw eveneens een bevel het grondgebied te verlaten. De vrouw in kwestie is evenwel getrouwd met een man die werd erkend als vluchteling. Samen hebben zij bovendien een kind.

Beslissing: De Belgische Staat had geen rekening gehouden met het feit dat de vrouw getrouwd was met een man die werd erkend als vluchteling en ze samen bovendien een kind hadden, dat dezelfde beschermingsstatus als zijn vader geniet. De Belgische wetgeving schrijft nochtans expliciet voor dat rekening moet worden gehouden met het hoger belang van het kind, en met het gezins- en familieleven van de betrokken vreemdeling bij het nemen van een uitwijzingsbeslissing (art. 74/13 van de Vreemdelingenwet). Het bevel werd vernietigd.

Download "151008-RVV-154164.pdf"

Arrest RVV nr. 144 123 van 24 april 2015

Feiten: Irakese man, asielaanvraag op 25 september 2014, reisde naar Europa met een Italiaans visum, verzoek tot overname verstuurd naar Italië, impliciet akkoord, weigering van verblijf en bevel tot terugbrenging, beroep tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid

Beslissing: De Belgische Staat had té weinig rekening gehouden met de moeilijkheden die het Italiaanse opvangsysteem ondervindt ten gevolge van de massale instroom van asielzoekers, waardoor de man bij verwijzing naar Italië aan serieuze mensenrechtenschending dreigde te worden blootgesteld.

Bijzonder interessant was het oordeel dat de man, als asielzoeker, automatisch deel uitmaakt van een groep die systematisch dreigt blootgesteld te worden aan een praktijk van slechte behandelingen. De Raad verwees hiervoor naar de arresten Saadi t. Italië en Tarakhel t. Zwitserland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Download "150424-RVV-144-123.pdf"

Rechtbank van eerste aanleg Brugge van 8 november 2013

Feiten: erkenning vaderschap – afstamming langs vaderszijde – erkenning niet in het belang van het kind – tijdspanne instellen vordering

Beslissing: Niettegenstaande de biologische en juridische realiteit inzake afstamming dient samen te vallen, staat het belang van het kind centraal. Eiser (vader) geeft geen uitleg omtrent de formele aantijgingen van herhaaldelijke mishandelingen, en dus over zijn waardigheid om zich eventueel als vader te mogen beschouwen van het kind. Bovendien ligt geen begin van bewijs omtrent de vordering van eiser (vader) voor. Ook het tijdsverloop tussen de geboorte, waarvan eiser (vader) het ogenblik kon inschatten, en het instellen van de vordering is voor de rechtbank tekenend.

Download "131108-REA-Brugge.pdf"

Hof van Beroep Antwerpen, Kamer van Inbeschuldigingstelling van 8 september 2016

Feiten: Irakese asielzoeker werd bij Ministerieel Besluit ter beschikking gesteld van de regering en dit wegens een proces-verbaal dat werd opgesteld waarbij hij verdacht werd van betrokkenheid bij een terroristische organisatie. In kader van het strafonderzoek werd asielzoeker niet aangehouden.

Beslissing: De Raadkamer te Mechelen oordeelde dat Ministerieel Besluit onvoldoende werd gemotiveerd: “De loutere verwijzing naar een proces-verbaal volstaat niet aangezien de raadkamer op basis hiervan niet kan nagaan of beslissing proportioneel is”. De invrijheidstelling werd bevolen.

In beroep heeft de Kamer van Inbeschuldigingstelling bij het Hof van Beroep te Antwerpen  de beschikking van de Raadkamer te Mechelen bevestigd. Het beroep dat werd ingesteld werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard. 

Download "160908-HVB-KI-Antwerpen.pdf"

Arbeidsrechtbank Gent, Afdeling Gent van 22 april 2016

Feiten: Koppel van Syrische origine aan wie de vluchtelingenstatus werd toegekend. Het koppel woont samen met hun drie kinderen in een huurhuis te Zomergem. In 2014 diende het koppel een aanvraag in tot het bekomen van een maatschappelijke integratie onder de vorm van een aanvullend leefloon voor een alleenstaande persoon met gezinslast. De man oefende een deeltijdse tewerkstelling uit, waardoor vanaf 1 januari 2014 aan het koppel een aanvullende steun werd toegekend van 350,00 euro per maand. In augustus 2014 werd beslist om deze steun te schorsen voor een periode van 1 maand wanneer het gezin vanaf 1 september 2014 niet over minimum één voltijdse tewerkstelling of een equivalent zou beschikken. Het aanvullend leefloon van het koppel werd dan ook geschorst voor de maand oktober. In november 2014 had het koppel terug recht op de aanvullende steun, maar tevens was dit ook hun laatste kans om een aanvullend inkomen te verkrijgen via tewerkstelling. Aangezien aan deze voorwaarde niet werd voldaan, werd de steun in december 2014 volledig stopgezet. 

Beslissing : De rechtbank is van oordeel dat, om recht te hebben op een maatschappelijke integratie, de persoon in kwestie werkbereid moet zijn. Dit houdt in dat de betrokkene zich actief moet inzetten om een dienstbetrekking te vinden. Dit kan niet alleen afgeleid worden uit de verklaringen van de betrokkene, maar ook uit zijn gedragingen en onthoudingen. Belangrijk bij de beoordeling is dus niet of de betrokkene werk gevonden heeft, maar wel op hij voldoende gezocht heeft. Aldus is er sprake van een inspanningsverbintenis en niet van een resultaatsverbintenis.

Download "160422-Arbrb-Gent.pdf"

Rechtbank van eerste aanleg Brugge van 14 november 2011

Feiten: erkenning vaderschap – afstamming langs vaderszijde – weigering moeder – noodzaak DNA – onderzoek

Beslissing: Een kind heeft het recht zijn biologische ouders te kennen. Gezien de relatie tussen de ouders meer dan één jaar voorafgaand aan de geboorte van het kind heeft geduurd, moet de vader over de mogelijkheid beschikken het kind te kunnen erkennen. Een DNA-onderzoek komt in die zin overbodig voor.

Download "111114-REA-Brugge.pdf"

Arrest RVV nr. 150 157 van 29 juli 2015

Feiten:  De Afghaanse man in kwestie diende reeds in 2007 een asielaanvraag in. Vier jaar later ontving hij de beslissing dat hij uitgesloten werd van elk mogelijk beschermingsstatuut, aangezien er sterke vermoedens waren dat hij zich in zijn thuisland schuldig had gemaakt aan ernstige criminele feiten. Een repatriëring zou evenwel een schending van artikel 3 EVRM uitmaken. Zijn vrouw en kinderen kregen echter wel het statuut van vluchteling. De man diende een verzoek tot humanitaire regularisatie in dat ongegrond werd verklaard omdat hij een gevaar zou vormen voor de openbare orde.

Beslissing: De Raad oordeelde dat het feit dat de man zo lang zonder enig statuut diende te leven in België een schending uitmaakte van zijn recht op een gezinsleven (art 8 EVRM) en op de rechten van zijn kinderen. De Raad erkende dat in dit soort zaken een afweging moet gemaakt worden tussen enerzijds het algemeen belang, de openbare orde en anderzijds de particuliere mensenrechten van de cliënt. Iemand, voor feiten die 19 jaar geleden plaatsvonden en waarvoor hij bovendien nooit veroordeeld werd, elke status in België blijven ontzeggen vond de Raad terecht disproportioneel.

Dat de man geen risico loopt op repatriëring doet hier geen afbreuk aan. Bovendien volgde de Raad het argument van dit kantoor dat het feit dat zij jarenlang moeten toezien hoe hun vader geen verblijfsvergunning krijgt ook hun kinderrechten schendt. 

Download "150729-RVV-150-157.pdf"

Arrest RVV nr. 107 502 van 29 juli 2013

Feiten: De medische regularisatieaanvraag op basis van artikel 9ter Vw. werd ontvankelijk, doch ongegrond verklaard.  Verzoekster heeft de Russische nationaliteit en verblijft samen in België met haar meerderjarige dochter, tweede verzoekster.  

Beslissing: Uit de motivering van de ambtenaar-geneesheer blijkt dat hij enkel een aandoening die direct levensbedreigend of vergevorderd is, beschouwt als een ziekte die een reëel risico inhoudt voor het leven of de fysieke integriteit. Er is echter nog een tweede mogelijkheid namelijk een reëel risico op een vernederende en een onmenselijke behandeling door een gebrek aan adequate behandeling in het land van herkomst. Door dit niet te onderzoeken wordt artikel 9ter Vw. miskend. De materiële motiveringsplicht werd aldus geschonden. De beslissing van de staatssecretaris die de aanvraag 9ter Vw. ongegrond verklaard heeft, wordt vernietigd.

Download "130729-RVV-107-502.pdf"

Arrest RVV nr. 96 820 van 11 februari 2013

Feiten: De aanvraag tot medische regularisatie op grond van artikel 9ter Vw. van verzoeker werd door de Dienst Vreemdelingenzaken onontvankelijk verklaard. Verzoeker bezit de Russische nationaliteit. 

Beslissing: De rechtspraak van artikel 3 EVRM wordt te beperkend geïnterpreteerd door de Dienst Vreemdelingezaken. Er is namelijk enkel onderzoek gedaan naar het feit of de ziekte levensbedreigend is, maar niet of er een reëel risico is op vernederende en onmenselijke behandeling. Dit is in strijd met artikel 9ter, §1 Vw. De materiële motiveringsplicht is bijgevolg geschonden. 

 

Download "130211-RVV-110-141.pdf"

Arrest RVV nr 168 499 van 27 mei 2016

Feiten: Een Russische familie uit Tsjetsjenië verblijft reeds 7 jaar op het Belgisch grondgebied. In de hoop hun verblijfssituatie te regulariseren dienden zij een verzoek tot machtiging van verblijf op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet in. De Belgische Staat verklaarde de 9bis-aanvraag van verzoekers onontvankelijk. Er werden naar haar mening geen buitengewone omstandigheden aangevoerd, waarom de familie geen regularisatieaanvraag kon indienen vanuit hun land van herkomst zelf.

De veiligheidssituatie in Tsjetsjenië, die werd opgeworpen als buitengewone omstandigheid, was volgens de Belgische Staat iets waarover naar aanleiding van het gegrondheidsonderzoek diende geoordeeld te worden. 

Beslissing: De Raad besluit tot nietigheid van de beslissing tot onontvankelijkheid. De familie wierp in hun regularisatieaanvraag een mogelijke schending van artikel 3 EVRM op. De Belgische Staat had hierover echter niets gemotiveerd in haar beslissing. Buitengewone omstandigheden wijzen niet op de aanwezigheid van overmacht maar op een onmogelijkheid voor verzoeker om een aanvraag in te dienen in het land van herkomst. Het oordeel van de Belgische staat dat verzoeker langer dan drie maanden in België wenst te blijven staat hier volledig los van.

Download "160527-RVV-168499.pdf"

Arrest RVV nr. 167 315 van 10 mei 2016

 Feiten: In deze zaak werd aan de verzoeker, die werd erkend als staatloze, een inreisverbod van drie jaar onder de vorm van een bijlage 13sexies afgeleverd. Dit op basis van artikel 74/11, §1, tweede lid van de Vreemdelingenwet, waarin staat dat een inreisverbod opgelegd kan worden wanneer niet aan de terugkeerverplichting werd voldaan.

Beslissing: Verzoeker kreeg een inreisverbod van drie jaar. De raad stelde vast in deze zaak dat er enerzijds voorzien is in een feitelijke motivering omtrent het opleggen van het inreisverbod en anderzijds een feitelijke motivering omtrent de duur van het inreisverbod. Echter zijn deze twee motieven op dezelfde grondslag gebaseerd, namelijk dat niet voldaan werd aan de terugkeerverplichting werd voldaan. Aldus werd er geen rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van verzoeker. De Dienst Vreemdelingenzaken heeft immers een discretionaire bevoegdheid in het bepalen van de termijn van het inreisverbod, hetgeen niet blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing.  Zo blijkt bijvoorbeeld niet of er rekening werd gehouden met het feit dat verzoeker een erkende staatloze is. Bijgevolg wordt de materiële motiveringsplicht geschonden. 

Download "160510-RVV-167-315.pdf"

Beslissing CGVS van 13 januari 2016

Feiten: Op 13 januari 2016 heeft het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’) het subsidiaire beschermingsstatuut toegekend aan een Russische familie uit Kislovodsk, een stad in de Noordelijke-Kaukasus. De familie was op de vlucht geslagen voor vervolging door de lokale maffia, die hen, als restauranthouders, al jaren had afgeperst en mishandeld. De aanleiding voor de vlucht vormde het feit dat de zoon van de familie werd ontvoerd en seksueel misbruikt, waarna hier beelden van werden uitgebracht, die tot doel hadden hem te vernederen en te brandmerken. 

Beslissing: Gezien de vermenging van deze maffiafiguren met de het lokale bestuur kon de familie geen beroep doen op de lokale autoriteiten voor bescherming. Bovendien achtte het CGVS, gezien de persoonlijke omstandigheden van het gezin, interne hervestiging geen redelijk alternatief.

Omdat deze familie niet werd vervolgd omwille van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een welbepaalde sociale groep, kon ze geen aanspraak maken op het statuut van vluchteling. Wel werd teruggevallen op het subsidiaire beschermingsstatuut dat, en dit wordt vaak vergeten, niet alleen personen beschermen op de vlucht voor willekeurig geweld, maar eveneens mensen beschermt die het slachtoffer dreigen te worden van foltering of onmenselijke of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in hun land van herkomst.

Download "160113-CGVS.pdf"

Arrest RVV nr. 162 547 van 23 februari 2016

Feiten: Een koppel uit Iraaks Koerdistan wordt door de familie van de bruid met het leven bedreigd in het kader van eerwraak.

Het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’) weigerde hen het statuut van vluchteling omdat het meende dat het koppel zich elders in Koerdistan veilig kon vestigen, nog niet alle middelen tot verzoening had uitgeput en bovendien afdoende bescherming genoot van de Koerdische autoriteiten.

Beslissing: De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (‘RVV’) is van oordeel dat deze argumenten stuk voor stuk overtuigend weerlegd worden in het verzoekschrift en dit op basis van recente VN-rapporten en de verklaringen van de cliënten zelf. De bewijslast werd in die mate overtuigend geacht door de RVV, zodat de beslissing van het CGVS niet alleen werd vernietigd, maar eveneens onmiddellijk werd overgegaan tot de erkenning van het koppel als vluchteling.

Download "160223-RVV-162-547.pdf"

Arrest RVV nr. 140 504 van 6 maart 2015

Feiten: Man van Palestijnse herkomst, afkomstig uit de Gaza-strook, lid van Fatah. Zijn asielaanvraag werd door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’) geweigerd. Er was immers onduidelijkheid over de werkelijke identiteit van de cliënt. Echter werd door verzoeker, tijdens de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (‘RVV’), authentieke identiteitsdocumenten voorgelegd. Niettegenstaande de voorlegging van deze stukken, bleef het CGVS volhouden dat de geloofwaardigheid van de man was aangetast. 

Beslissing: De Raad oordeelde dat: “De twijfels over bepaalde aspecten van een relaas de bevoegde overheid niet ontslaan van de opdracht de vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade te toetsen betreffende die elementen waar geen twijfel over bestaat”. De beslissing van het CGVS werd vernietigd, waardoor de asielaanvraag opnieuw diende te worden onderzocht. 

Download "150306-RVV-140-504.pdf"

Arrest RVV nr. 165 304 van 6 april 2016

Feiten: Een Afghaanse man diende een asielaanvraag in op 18 december 2015. Op basis van vingerafdrukken in het EURODAC-systeem, werd op 26 januari 2016 een terugnameverzoek aan Bulgarije gericht. De Bulgaarse autoriteiten stemden hier mee in, waardoor aan de cliënt een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 26quater) werd afgeleverd. Gezien deze beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken werd cliënt overgebracht naar een gesloten centrum met het oog op repatriëring naar Bulgarije. Tegen de bestreden beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken werd een beroep tot schorsing van de beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid (‘UDN’) bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (‘RVV’) ingediend. 

Beslissing: De Belgische Staat heeft te weinig rekening gehouden met de “zeer concrete en gestaafde argumenten”, die haar in een motivatie ter ondersteuning van het verzet tegen de terugname door Bulgarije waren voorgelegd. In Bulgarije hebben asielzoekers nauwelijks of geen toegang tot juridische bijstand of begeleiding door tolken tijdens hun asielprocedure.

In die zin wordt, zo oordeelt de RVV, ook het bijzonder lage erkenningspercentage relevant: “Immers lijkt het in dat geval des te belangrijker dat betrokkene op een adequate wijze kan worden gehoord en in recht kan worden bijgestaan, zo nodig.” De bestreden beslissing wordt geschorst.

Uit het objectieve AIDA-rapport blijkt bovendien dat de asielprocedure en de opvangcentra in Bulgarije te kampen heeft met structurele tekortkomingen, waardoor asielzoekers die in het kader van de Dublin-Verordening aan Bulgarije worden overgedragen er onmenselijk of vernederend worden behandeld in de zin van artikel 3 van het EVRM.

Download "160406-RVV-165-304.pdf"

Arrest RVV nr. 92 863 van 4 december 2012

Feiten: Verzoekers hun medische regularisatieaanvraag op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet werd door de Dienst Vreemdelingenzaken onontvankelijk verklaard. Verzoekers bezitten de Georgische nationaliteit. 

Beslissing: De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelde dat de ambtenaar – geneesheer enkel heeft onderzocht of de aandoening direct levensbedreigend is. Er wordt door de Dienst Vreemdelingenzaken verder geen onderzoek gedaan naar de mogelijkheden tot behandeling in het land van herkomst. Artikel 3 EVRM werd te beperkend geïnterpreteerd, waardoor artikel 9ter, § 1 Vw. wordt geschonden. De Raad vernietigde de beslissing tot onontvankelijkheid. 

Download "121204-RVV-92-863.pdf"

Arrest RVV nr. 78 315 van 29 maart 2012

Feiten: Medische regularisatieaanvraag van Syrische man met zware psychische problemen werd ongegrond verklaard. De Belgische Staat claimt dat de aandoening kan behandeld worden in Syrië. De zorgen zijn gratis in publieke ziekenhuizen en 88% van de medicijnen worden lokaal geproduceerd, zijn dus betaalbaar en aangepast aan de prijzen. Zowel de vader, moeder, zus en halfzussen verblijven in Syrië.

Beslissing: De Belgische Staat erkent dat de aandoening een reëel risico uitmaakt voor het leven van verzoeker wanneer deze geen gepaste behandeling krijgt, maar de behandeling is volgens de Belgische Staat beschikbaar in Syrië. De toegankelijkheid van de behandeling werd echter niet onderzocht. De loutere aanwezigheid van artsen is niet voldoende voor de noodzakelijke psychologische en psychiatrische behandeling te verkrijgen.

De medicijnen kunnen niet zomaar worden ingeruild voor andere. De informatie dat de zorgen in Syrië gratis zijn dateert van 2008, ondertussen staat het land aan de rand van een burgeroorlog. Iemand die ziek is is nog kwetsbaarder dan een modale asielzoeker.

Een terugkeer maakt een schending van art 3 EVRM uit, waardoor de bestreden beslissing door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd vernietigd. 

Download "120329-RVV-78-315.pdf"

Arrest RVV nr. 171 684 van 12 juli 2016

Feiten: Aan een Pakistaanse man werd een inreisverbod van drie jaar opgelegd. Dit inreisverbod volgde nadat verschillende bevelen om het grondgebied te verlaten aan hem werden betekend.  

Beslissing: Er wordt niet gemotiveerd waarom er wordt gekozen voor een inreisverbod van drie jaar, wat de maximale termijn is voor een inreisverbod. De Belgische staat gaat er in haar beslissing vanuit dat zij,  vanaf het ogenblik dat er wordt vastgesteld dat er geen termijn werd toegestaan voor vrijwillig vertrek of wanneer een vroegere beslissing tot verwijdering niet uitgevoerd werd, zij op basis van artikel 74/11 van de Vreemdelingenwet zonder meer een inreisverbod van drie jaar moet opleggen.

Aan de man in kwestie werd immers eerder een verblijf toegestaan wegens medische redenen. Overeenkomstig art 74/13 j. 74/17 van de Vreemdelingenwet verplicht de Belgische Staat om de gezondheidstoestand van de betrokkenen in rekening te nemen bij het afgeven van een inreisverbod. De beslissing werd niet voldoende gemotiveerd, het inreisverbod werd geannuleerd.

Download "160425-RVV-166-382.pdf"

Arrest RVV nr. 122 730 van 18 april 2014

Feiten: Verzoekers bezitten de Pakistaanse nationaliteit. Er werd door hen beroep tot schorsing en nietigverklaring aangetekend tegen de beslissing van de Belgische Staat waarbij hen een inreisverbod van drie jaar (bijlage 13sexies) werd betekend. 

Beslissing: Uit de motieven van de Belgische Staat kan niet worden afgeleid waarom een maximumtermijn van drie jaar wordt opgelegd, noch blijkt daaruit dat er rekening werd gehouden met de specifieke omstandigheden eigen aan het geval van de verzoekers, noch blijkt rekening te zijn gehouden met het evenredigheidsbeginsel. De materiële motiveringsplicht van artikel 74/11, §1, eerste lid van de Vw. wordt aangetoond. Het inreisverbod wordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vernietigd. 

 

Download "140418-RVV-122-730.pdf"

Arrest RVV nr. 117 075 van 17 januari 2014

Feiten: Verzoeker diende in België een eerste asielaanvraag in op 31 maart 2008. Overeenkomstig de Dublin – Verordening werd aan cliënt, in het kader van deze asielaanvraag, een bevel om het grondgebied te verlaten (‘BGV’) afgeleverd. Bij zijn tweede en derde asielaanvraag werd Griekenland telkens opnieuw bevoegd geacht. In het kader van de derde asielaanvraag en het BGV die toen aan hem werd afgeleverd, heeft verzoeker een verzoek tot schorsing in uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend (‘UDN’). Niettegenstaande deze vordering werd verworpen, werd de overdracht van cliënt naar Griekenland geannuleerd op vraag van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (‘EHRM’). Uiteindelijk wordt het dossier van verzoeker doorgestuurd naar het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’), die belast is het met onderzoek naar de asielaanvraag van verzoeker. Na een negatieve beslissing van het CGVS krijgt de cliënt een BGV met vasthouding met het oog op verwijdering en een inreisverbod van 3 jaar betekend. 

Beslissing: De richtlijn 2008/115/EG stelt het volgende met betrekking tot een inreisverbod: “De richtlijn legt echter op dat men tot een individueel onderzoek overgaat, dat men rekening houdt met alle omstandigheden eigen aan het geval en dat men het evenredigheidsbeginsel respecteert.” In de bestreden beslissing wordt niets gemotiveerd omtrent de termijn van het inreisverbod. Er wordt op quasi automatische wijze een inreisverbod opgelegd voor de maximumtermijn van drie jaar, zonder verder onderzoek naar de specifieke omstandigheden van de verzoeker. Dit impliceert een schending van de op de Belgische Staat rustende formele motiveringsverplichting, waardoor het inreisverbod ten aanzien van cliënt wordt vernietigd.

Download "140117-RVV-117-075.pdf"

Arrest RVV nr. 180 183 van 27 december 2016

Feiten: Verzoekster diende, op basis van artikel 10 van de Vreemdelingenwet, een visumaanvraag in voor haar en haar minderjarige kinderen.  Op die manier kon zij en de kinderen herenigd worden met haar echtgenoot / hun vader, die in België over een onbeperkt verblijfsrecht beschikt. De Dienst Vreemdelingenzaken weigerde de visumaanvraag wegens de afwezigheid van stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen in hoofde van de echtgenoot van verzoekster.

Beslissing: De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanvaardt het argument niet, dat het feit dat 60 % van de inkomsten van de echtgenoot / vader wordt besteed aan huishuur, automatisch leidt tot het bestaan van onvoldoende bestaansmiddelen. De Dienst Vreemdelingenzaken schendt hiermee haar formele motiveringsverplichting. De bestreden beslissing werd door de Raad vernietigd. 

Download "161227-RVV-180-183.pdf"

Arrest RVV nr. 106 682 van 12 juli 2013

Feiten: Op 23 december 2011 verwerft verzoeker in België de subsidiaire beschermingsstatus. De echtgenoot en het minderjarig kind vragen in Jordanië een visum gezinshereniging type D aan. Deze wordt geweigerd op grond van volgende motivering: “de te vervoegen vreemdeling bewijst niet op afdoende wijze dat hij over een stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen beschikt om in zijn eigen behoeften en deze van de familieleden te voldoen en om te voorkomen dat ze ten laste vallen van de openbare overheden”.

Beslissing: Centraal staat de vraag of een vreemdeling, die in België de subsidiaire beschermingsstatus geniet, zich eveneens kan beroepen op de uitzondering die voor erkende vluchtelingen geldt. Op die manier kan de subsidiaire beschermde, net zoals de erkende vluchteling, genieten van bepaalde vrijstellingen indien de aanvraag binnen het jaar na de toekenning van de subsidiaire bescherming werd ingediend en de familieband reeds bestond in het land van herkomst (artikel 10, § 2, vijfde lid B.W.). Deze vrijstelling bestaat onder andere uit het niet aantonen dat het te vervoegen gezinslid over toereikende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen beschikt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelde dat uit de voorbereidende werken niet blijkt dat de wetgever een onderscheid heeft willen maken tussen erkende vluchtelingen en subsidiaire beschermden. Gezien er in casu geen inkomsten dienden te worden bewezen, werd de beslissing tot weigering van afgifte van een visum D genomen de Dienst Vreemdelingenzaken, door de Raad vernietigd. 

Download "130712-RVV-106-682.pdf"

Arrest RVV nr. 103 856 van 30 mei 2013

Feiten: Verzoeker is van Iraakse nationaliteit en is samen met zijn echtgenote vanuit Irak naar Syrië gevlucht. In Syrië heeft het koppel beslist te scheiden, waarna de man alleen naar België is gereisd voor bescherming. Aan verzoeker werd de subsidiaire beschermingsstatus toegekend. Na de beslissing van het Commissariaat – generaal is verzoeker opnieuw in het huwelijk getreden met zijn ex – echtgenote. Er werd een visum gezinshereniging ingediend teneinde de echtgenoot te kunnen vervoegen, doch dit werd door de Dienst Vreemdelingenzaken geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken claimt echter dat dat er niet kan worden aangetoond dat de te vervoegen persoon over stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen beschikt. Verzoeker ontvangt een leefloon van het O.C.M.W. 

Beslissing: De geldigheid van het huwelijk wordt niet betwist. Op basis van de richtlijn 2003/86/EG van 22 september 2003 moet “er geen recht op gezinshereniging gegeven worden aan iemand met subsidiaire bescherming met beperkt verblijfsrecht”. Er kan echter steeds geopteerd worden om minder strengere bepalingen te voorzien bij de omzetting van een richtlijn, hetgeen ook de wil was van de wetgever. Er kan bovendien geen sprake zijn van misbruik van procedures indien verzoekers zich beroepen op bestaande wetsbepalingen. De beslissing tot weigering van de afgifte van een visum gezinshereniging wordt vernietigd.

Download "130530-RVV-103-856.pdf"

Arrest RVV nr. 103 321 van 23 mei 2013

Feiten: De vrouw en kinderen van een Irakese man, aan wie hier in België het subsidiaire beschermingsstatuut werd toegekend, dienden een aanvraag in voor een visum gezinshereniging. De weigering was gebaseerd op het argument dat verzoeker niet over voldoende inkomsten beschikte (art. 10 bis § 2 Vw.).

Beslissing: Verzoekers beroepen zich op hun recht op een gezins- en familieleven, zoals dit door artikel 8 EVRM wordt beschermd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst er enerzijds op dat artikel 8 EVRM voorgaat op de artikelen uit de Vreemdelingenwet. Anderzijds wijst zij erop  dat de administratieve overheid een zo rigoureus mogelijk onderzoek dient te doen, in functie van de omstandigheden waar zij kennis van heeft of kennis van zou moeten hebben.

Uit het administratief dossier blijkt niet dat de administratieve overheid een dergelijk rigoureus onderzoek heeft gedaan of rekening heeft gehouden met de specifieke omstandigheden, waarbij de Raad besliste de beslissing tot weigering afgifte visum te vernietigen. 

Download "130523-RVV-103-321.pdf"

Arrest RVV nr. 154 716 van 16 oktober 2015

Feiten: Verzoeker diende op 15 januari 2015, in zijn hoedanigheid van bloedverwant in opgaande lijn, een aanvraag tot het bekomen van een verblijfskaart voor een familielid van een burger van de unie in (bijlage 19ter). De aanvraag van verzoeker werd echter geweigerd en er werd hem een bevel om het grondgebied te verlaten betekend.

Volgens de motivering van de Dienst Vreemdelingenzaken zou verzoeker niet aan de voorwaarden voldoen. Niettegenstaande verzoeker de vader is van een minderjarige Belg kon hem geen verblijfsrecht worden toegekend gezien het huwelijk met de moeder werd bestempeld als een schijnhuwelijk en werd vernietigd. 

Zonder rekening te houden met de door de rechtbank opgelegde omgangsregeling, oordeelde de Dienst Vreemdelingenzaken eveneens dat verzoeker geen daadwerkelijk familieleven met zijn zoon zou hebben, gezien ze niet onder één dak wonen. 

Beslissing: De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelde in haar arrest een schending van hoger belang van het kind (artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet), in samenhang met de motiveringsplicht, vast. Verzoeker is immers de ouder van een Belgische kind, waardoor er door de Belgische Staat, op basis van artikel 8 EVRM, geen fair – balance toets werd uitgevoerd. Door de “motieven” pas in de nota op te nemen, ontneemt de Belgische Staat verzoeker de mogelijk om haar beroepsrecht naar behoren uit te oefenen. 

Download "151016-RVV-154-716.pdf"

Arrest RVV nr. 170 538 van 27 juni 2016

Feiten: Verzoekster bezit de Nepalese nationaliteit. Zij woont in België wettelijk samen met een Belg. Haar aanvraag tot het bekomen van een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie werd geweigerd. Eveneens werd haar een bevel om het grondgebied te vertalen betekend. 

De negatieve beslissing kwam er omdat, zo oordeelde de Belgische Staat, verzoekster niet zou voldaan hebben aan de voorwaarden van gezinshereniging doordat haar partner niet over voldoende inkomsten zou beschikken. 

Beslissing: Het klopt dat de vervoegde Belg, overeenkomstig artikel 40ter van de Vreemdelingenwet dient aan te tonen “over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen te beschikken”. Echter dient de bestaansmiddelenvereiste op een Unierechtelijke conforme wijze moeten worden uitgelegd. Een letterlijke, een analoge, een Unierechtelijke, als een teleologische interpretatie van de term ‘beschikt’ uit artikel 40ter, tweede lid van de Vreemdelingenwet leidt ertoe dat niet kan worden aangenomen dat enkel de eigen inkomsten van de Belgische referentiepersoon in aanmerking moeten worden genomen. Bijgevolg heeft de Belgische Staat op basis van een te enge, en dus ook verkeerde lezing van artikel 40ter, tweede lid van de Vreemdelingenwet geconcludeerd dat er principieel geen rekening kan worden gehouden met de inkomsten uit een persoonlijke tewerkstelling van verzoekster om te bepalen of de Belgische referentiepersoon al dan niet beschikt over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen. 

Eveneens werd de door de wet verplicht behoefteanalyse niet in al zijn aspecten uitgevoerd. De bestreden beslissing werd bijgevolg niet zorgvuldig voorbereid en er is geen sprake van een correcte feitenvinding.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besliste tot een schending van de materiële motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht die op de Belgische Staat rust. De bestreden beslissing werd vernietigd. 

 

Download "160627-RVV-170-538.pdf"

Arrest RVV nr. 103 467 van 27 mei 2013

Feiten: Verzoeker bezit de Mexicaanse nationaliteit. In navolging van de verklaring tot wettelijke samenwoning werd door verzoeker een aanvraag tot afgifte van een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie ingediend. Deze aanvraag geweigerd nu verzoeker, volgens de Belgische Staat, op een niet afdoende wijze zou hebben aangetoond een duurzame en stabiele relatie te hebben met zijn partner van tenminste twee jaar.

Beslissing: Op basis van de talrijk voorgelegde stavingsstukken is het kennelijk onredelijk om te besluiten dat de aangebrachte documenten niet toelaten vast te stellen dat verzoeker en zijn partner geen vijfenveertig dagen of meer met elkaar zouden hebben doorgebracht alvorens verzoeker zijn verblijfsaanvraag indiende. De Belgische Staat beperkt zich tot enkele gestandaardiseerde weigeringsbeslissing waarbij wordt voorbijgegaan aan de onderlinge samenhang die bestaat tussen de verschillende bewijsstukken. De materiële motiveringsplicht wordt geschonden. 

Download "130527-RVV-103-467.pdf"

Arrest RVV nr. 168 705 van 30 mei 2016

Feiten: Aan een koppel, die reeds jarenlang op het Belgische grondgebied verblijft, wordt een bevel om het grondgebied te verlaten betekend (één aan de vader, één aan de moeder en de kinderen). De partijen verblijven reeds van december 2007 in België. Hun minderjarige kinderen gaan naar school en hun verblijfsprocedures slepen al jaren aan. Tijdens deze periode hebben de cliënten en hun kinderen hier een leven opgebouwd.

Beslissing: Het is duidelijk dat verzoekers een duurzaam leven hebben opgebouwd in België. Uit artikel 74/13 Vw. volgt dat de Belgische Staat rekening moet houden met onder meer het gezinsleven van de betrokkenen en het hoger belang van het kind. Ook artikel 8 E.V.R.M. legt aan lidstaten de verplichting op om het familieleven te respecteren.

In casu werd er in de bestreden beslissing nergens gerefereerd naar het gezinsleven van de familie, noch naar het hoger belang van de kinderen.

De twee kinderen werden in België geboren en zijn dus opgevoed volgens de Belgische cultuur. De kinderen zijn hier steeds naar school geweest en hebben daar ook vrienden gemaakt. De Raad stelt in haar arrest ondubbelzinnig vast dat de Belgische Staat steeds, op het ogenblik dat een bevel het grondgebied te verlaten wordt betekend, rekening moet houden met het hoger belang van het kind. Dat dit belang nog op het ogenblik van de daadwerkelijke uitvoering kan worden onderzocht, volstaat voor de Raad niet. 

Download "160530-RVV-168-705.pdf"

Arrest RVV nr. 158 024 van 10 december 2015

Feiten: Verzoeker bezit de Irakese nationaliteit. Er werd in deze een beroep tot schorsing en nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingediend tegen het bevel om het grondgebied te verlaten (‘BGV’), afgeleverd aan de cliënt. 

In de voorafgaande beschikking van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (‘RVV’), die werd genomen overeenkomstig artikel 39/73, § 2 Vw., werd geoordeeld dat het beroep van cliënt op basis van een schriftelijke procedure kon worden ingewilligd. 

Beslissing:

De voorafgaande beschikking van de RVV oordeelde dat er geen rekening werd gehouden met het gezins – en familieleven van cliënt. De echtgenote en de drie kinderen werden immers allen erkend als vluchteling. Volgens de RVV is er dan ook sprake van een schending van artikel 74/13 van de Vw. In de procedure ter zitting bleef de Belgische Staat echter in gebreke uiteen te zetten op welke grond zij aanneemt dat een loutere verwijzing naar de beslissing van het Commissariaat – generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’) zou volstaan in het licht van artikel 74/13 van de Vw. De beslissing tot afgifte van een BGV werd door de RVV vernietigd. 

Download "151210-RVV-158-024.pdf"

Arrest RVV nr. 116432 van 27 december 2013

Feiten: Aan verzoeker, van Afghaanse nationaliteit, werd een bevel om het grondgebied te verlaten met het oog op verwijdering en een inreisverbod afgeleverd (bijlage 13septies). Gezien verzoeker werd vastgehouden met het oog op repatriëring naar zijn land van herkomst, werd een verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid om te schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen (‘UDN’), ingediend. 

Beslissing: Het uiterst dringend karakter wordt niet betwist. De raad neemt aan dat, na een prima facie onderzoek, de aangevoerde grief op basis van artikel 3 EVRM ernstig is. Ieder redelijk denkend mens ziet onmiddellijk in dat verzoeker, door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te ondergaan. Het is immers niet uit te sluiten dat verzoeker, ingevolge een terugkeer naar Kaboel, Afghanistan, het voorwerp dreigt te worden van een onmenselijke behandeling. Het nadeel dat er in bestaat onderworpen te worden aan een onmenselijke behandeling is evident ernstig en moeilijk te herstellen. De schorsing van het BGV wordt bevolen. 

Download "131227-RVV-116432.pdf"

Arrest RVV nr. 55 603 van 4 februari 2011

Feiten: Afghaanse man verklaarde dat zijn vader actief was als Taliban-commandant. Zelf hielp hij hem als bewaker. Het Commissariaat – generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’) oordeelde dat de verklaringen van de man over de activiteiten en de betrokkenheid van hem en zijn vader bij de Taliban, voldoende coherent waren teneinde te besluiten tot een beslissing tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus (artikel 55/2 van de Vreemdelingenwet en artikel 1F Vluchtelingenconventie). 

Beslissing: De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (‘RVV) oordeelde daarentegen dat verzoeker niet erg sluitende verklaringen aflegde. Zo kon de cliënt bijvoorbeeld nergens de Afghaanse kalender gebruiken om gebeurtenissen te duiden. Volgens de RVV had het CGVS geen zorgvuldig onderzoek verricht en werd de beslissing vernietigd. 

Download "110204-RVV-55-603.pdf"

Beslissing CGVS van 19 augustus 2016

Feiten: Het betreft een Afghaanse man, Hazara van origine en Sjiitisch moslim. Cliënt had zijn thuisland reeds in 1998 verlaten en was aanvankelijk naar Iran gevlucht. Op 24 juni 2011 vroeg hij voor de eerste maal asiel aan in België. Tot tweemaal toe werd zijn asielaanvraag evenwel afgewezen. Op 21 mei 2015 diende hij voor de derde maal een asielaanvraag in.

Beslissing: In de beslissing wordt hoofdzakelijk benadrukt dat de man niet in aanmerking komt voor bescherming als vluchteling in de zin van de conventie van Genève van 1951. Hij loopt geen risico op vervolging op grond van ras, religie, nationaliteit of het behoren tot een bepaalde sociale groep, hoewel door het Commissariaat – generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’) niet ontkend wordt dat de Hazara gemeenschap met de nodige problemen kampt.

Evenmin meent het CGVS dat de algemene veiligheidssituatie in de regio van herkomst van die aard is om aan aan de cliënt een subsidiaire beschermingsstatuut op grond van artikel 48/4, § 2 c) van de Vreemdelingenwet toe te kennen. 

Opvallend genoeg oordeelt het CGVS ten slotte wél dat het specifieke profiel van de cliënt in kwestie wel degelijk noopt tot het toekennen van bescherming in de zin van artikel 48/4, §2 b) van de Vreemdelingenwet: “Rekening houdend met alle relevante feiten in verband met uw land van nationaliteit en met alle u afgelegde verklaringen en de door u overgelegde stukken, is het Commissariaat-generaal van oordeel dat u bij een eventuele terugkeer naar uw land van oorsprong, een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade in de zin van artikel 48/4, §2 onder b van de Vreemdelingenwet. Bijgevolg dient u de status van subsidiair beschermde te worden toegekend.”

Download "160819-CGVS.pdf"

Arrest RVV nr. 92 041 van 23 november 2012

Feiten: Verzoekers bezitten de Russische nationaliteit en zijn van Tsjetsjeense origine. De ex – man van de dochter van verzoeker kwam meerdere malen aan huis om verzoeker en dochter te bedreigen. Verzoekers vroegen in Polen asiel aan waar zij een subsidiair beschermingsstatuut verkregen. Verzoeker beroept zich op dezelfde feiten als zijn dochter. Aangezien de dochter niet werd erkend als vluchteling, kan ook verzoeker niet worden erkend. 

Beslissing: Gezien verzoekers in een andere lidstaat de subsidiaire beschermingsstatus toegekend hebben gekregen, kunnen verzoekers geen rechtstreeks belang doen gelden om dit eveneens in België toegekend te krijgen. Dit tenzij verzoekers  ten aanzien van die andere lidstaat een vluchteling rechterlijke vrees of een reëel risico op ernstige schade kunnen doen gelden. Uit het vluchtrelaas van verzoekers blijkt dat ze in Polen gediscrimineerd werden en er problemen kenden met skinheads. Verzoekers hebben tijdens hun verhoor op het Commissariaat – generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’) geen mogelijkheid gekregen om deze elementen aan te tonen. De beslissing van het CGVS werd vernietigd. 

Download "121123-RVV-92-041.pdf"

Arrest RVV nr. 50 813 van 5 november 2010

Feiten: Minderjarige Afghaanse jongen woont al sinds zijn negende niet meer in Afghanistan. Vooraleer hij naar België is gevlucht woonde hij een tijd lang samen met zijn familie In Iran. Het Commissariaat – Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’) weigerde zowel statuut van vluchteling als subsidiaire bescherming.

Beslissing: De Raad stelt dat, behalve in geval van staatloosheid, de subsidiaire bescherming moet beoordeeld worden ten aanzien van het land van herkomst. Gelet op de jonge leeftijd, het feit dat hij sinds zijn negen niet meer in Afghanistan heeft gewoond en hij in Afghanistan geen dichte familie heeft, loopt verzoeker een reëel risico op ernstige schade en een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 48/4 §2 b) Vw.

Download "101105-RVV-50-813.pdf"

Arrest RVV nr. 47 199 van 12 augustus 2010

 

Feiten: Russische militair van Georgische origine vreest vervolging omwille van zijn profiel en origine naar aanleiding van Russisch-Georgische conflict. Weigeringsbeslissing van Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’).

Beslissing: De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (‘RVV’) bevestigt mening van verzoeker, dat de beslissing van het CGVS louter werd gemotiveerd op grond van subjectieve veronderstellingen van de dossierbehandelaar, terwijl er geen objectief onderzoek naar de voorgelegde documenten is uitgevoerd, noch naar de (mogelijke dubbele) nationaliteit (Russisch/Georgisch)van de verzoeker, noch een onderzoek naar de hoge graad van verzoekers’ positie in het Russische leger. De RVV stelt vast dat, bij gebrek aan objectief onderzoek en het ontbreken van argumentatie omtrent de voorgelegde stukken, de credibiliteit van de asielzoeker geenszins in vraag kan worden gesteld en de beslissing niet redelijk is gemotiveerd. De RVV vernietigde dan ook de beslissing en stuurde deze terug naar het CGVS.

Download "100812-CCE-47-199.pdf"

Arrest RVV nr. 115 694 van 13 december 2013

Feiten: Afghaanse man, afkomstig uit Puli Khumri in de provincie Baghlan. Verzoeker was getuige van taliban die een mijn plaatste, waarna een wagen ontplofte. Verzoeker werd meegenomen voor ondervraging, waarbij hij werd gemarteld en werd gedwongen om de namen te noemen van de mannen die hij gezien had. Eén van die mannen werd opgepakt en gedood, maar liet aan verzoeker een dreigbrief achter omdat hij had meegewerkt met de autoriteiten. Verder heeft de vader van verzoeker banden met de hezb – i – islami, waarvoor deze een celstraf diende uit te zitten. Na vrijlating werd de vader van verzoeker ontvoerd en is er geen nieuws meer. 

Beslissing: De verklaringen van verzoeker zijn niet noodzakelijk incoherent. Eveneens heeft de raadsman enkele opmerkingen gemaakt over wat er verkeerd gelopen is bij het interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken (‘DVZ’). Echter werd door het Commissariaat – generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’) geen rekening gehouden met deze opmerkingen, waardoor de materiële motiveringsplicht werd geschonden. De beslissing van het CGVS wordt vernietigd. 

Download "131213-RVV-115-693-1.pdf"

Arrest RVV nr. 107 796 van 16 juli 2013

Feiten: Verzoeker heeft de Somalische nationaliteit en  heeft in België asiel aangevraagd, de vluchtelingenstatus werd hem geweigerd. Verzoeker is geboren in Beled Weyne en was steeds woonachtig in Tarjante. In januari 2008 heeft hij Somalië verlaten omwille van de onveilige situatie.

Eerst kwam verzoeker aan in Italië, waarna hij verder reisde naar Nederland. Verzoeker zijn echtgenote was toen zwanger. In 2010 is verzoeker teruggekeerd naar Somalië aangezien zijn asielaanvraag geweigerd werd. De vrouw van verzoeker is toen bevallen van een tweede kindje. In 2011 werd verzoeker door tien gemaskerde mannen van de Al Shabaab gearresteerd en werd hij beschuldigd met de overheid samen te werken. Zijn echtgenote werd door Al Shabaab naar een kamp gebracht, nabij Mogadishu, waar beide kinderen overleden zijn aan diarree. Verzoeker werd verplicht chauffeur te zijn voor de soldaten van Al Shabaab. In augustus 2011 kon verzoeker ontsnappen en reisde hij naar Kenia, om opnieuw naar België te vluchten. 

Beslissing: verklaringen van de vluchteling kunnen een voldoende bewijs zijn van de hoedanigheid als vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk geloofwaardig en eerlijk zijn. Er zijn ernstige strijdige verklaringen betreffende de naam van verzoeker, maar in geen enkel land was er twijfel over de afkomst van verzoeker. Verzoeker geeft ter terechtzitting probleemloos uitvoerige toelichtingen over Somalië, de omgeving van Beled Weyne, de werking van koeriersbedrijven, de clans, het oorlogsgebeuren… De vluchtelingenstatus wordt toegekend.

Download "130716-RVV-106796.pdf"

Arrest RvV nr. 165 671 van 12 april 2016

Feiten: Man met Irakese nationaliteit, afkomstig uit Bagdad (Irak). De ouders, broer en zussen verbleven reeds in België. De vader van verzoeker werkte voor het nieuws, hetgeen meteen ook voor de aanleiding van de problemen van de familie zorgde. Verzoeker en zijn familie werden bedreigd door de sjiitische militie Asa’ib Ahl Al – Haq. Het Commissariaat – generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’) weigerde verzoeker de vluchtelingenstatus, alsook de toekenning van de subsidiaire bescherming. 

Beslissing: de Raad stelt vast dat de onderzoeksnota waarop het CGVS zich baseert om de subsidiaire bescherming niet toe te kennen, reeds zes maanden oud is. Aangezien de veiligheidssituatie in Bagdad een uiterst complex en veranderend karakter heeft, vormt deze niet langer een voldoende actuele weergave van de realiteit. De informatie waarop het CGVS zich baseert moet geactualiseerd worden. De raad  oordeelde eveneens dat het CGVS een aantal weinig pertinente en bovendien te verregaande conclusies trok uit diezelfde nota. De raad voor Vreemdelingenbetwistingen vernietigde de bestreden beslissing en droeg het CGVS op om een nieuwe evaluatie te maken van de algemene veiligheidssituatie  in Bagdad.

Download "160412-RVV-165-671.pdf"

Arrest RVV nr. 165 670 van 12 april 2016

Feiten: Aan een man met Irakese nationaliteit, afkomstig uit Bagdad (Irak), werd de vluchtelingenstatus en de subsidiaire bescherming geweigerd. Hij was een student journalistiek, maar oefende het beroep nooit uit. Echter publiceerde hij opiniestukken op zijn facebookpagina over politieke bewegingen, zoals die van Ayatollah Moqtada Al Sadr. Hij werd ontvoerd door leden van diens sjiitische militie Saraya al Salam (voorheen Mahdi-leger).

Beslissing: De Raad stelt vast dat de onderzoeksnota waarop het Commissariaat – generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’) zich baseert om de subsidiaire bescherming niet toe te kennen, reeds zes maanden oud is. Aangezien de veiligheidssituatie in Bagdad een uiterst complex en veranderend karakter heeft, vormt deze niet langer een voldoende actuele weergave van de realiteit. De informatie waarop het CGVS zich baseert moet geactualiseerd worden. De raad  oordeelde eveneens dat het CGVS een aantal weinig pertinente en bovendien te verregaande conclusies trok uit diezelfde nota. De raad voor Vreemdelingenbetwistingen vernietigde de bestreden beslissing en droeg het CGVS op om een nieuwe evaluatie te maken van de algemene veiligheidssituatie in Bagdad. 

Download "160412-RVV-165-670.pdf"

Arrest RVV nr. 59 902 van 18 april 2011

Feiten: Verzoeker is afkomstig uit China, Tibet, heeft in 1997 Tibet verlaten en is via Nepal naar India getrokken. Hij ontvluchtte Tibet wegens het gebrek aan religieuze vrijheid daar. Begin 2010 is verzoeker aan de hand van valse documenten naar Europa gekomen. Hij heeft hier asiel aangevraagd. Argumenten van het Commissariaat – generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen: de voorgelegde documenten zijn tegenstrijdig en incoherent. Dit doet een afbreuk aan de geloofwaardigheid. Identiteitskaart van verzoeker stemt niet overeen met de gegevens van het CGVS,  hierdoor heerst vermoeden dat hij niet uit China komt. Verzoeker beloofde zijn green book over te maken, maar dat  is niet gebeurd. In de attesten die werden neergelegd staat niets over zijn afkomst en geboorte. Er zijn ook geen documenten  voorgelegd van zijn reis naar Europa. Het CGVS claimt dat het geen zicht kreeg op zijn ware identiteit waardoor de vrees voor vervolging ook niet aannemelijk werd gemaakt. 

Beslissing: De uitleg dat familie van verzoeker aan zijn identiteitskaart geprutst heeft, wordt aannemelijk gemaakt. Verzoeker kan geen omschrijving geven van hukou, omdat hij is ingeschreven op de familiehukou. Verzoeker gebruikt Chinese termen, Tibetaanse kalender, rekent in Chinese munt etc. In China zijn er ernstige mensenrechtenschendingen ten aanzien van voorstanders van de Dalai Lhama. Het CGVS heeft niets gedocumenteerd over de situatie in India. Bij terugkeer naar Tibet zal hij in de negatieve aandacht komen van de Chinese autoriteiten. Verzoeker heeft geen hoog politiek profiel maar heeft wel steeds meegewerkt met de Dalai Lhama. Verzoeker werd erkend als vluchteling.

Download "110418-RVV-59-902.pdf"

Arrest RVV nr. 114 570 van 28 november 2013

Feiten: Pakistaan, Ahmadiyya geloof, geboren in Peshawar, lastig gevallen omwille van zijn geloof. Op 29 augustus 2010 reisde verzoeker met een studentenvisum naar het Verenigd Koninkrijk. Na te zijn teruggekeerd naar Peshawar, is cliënt opnieuw naar het Verenigd Koningrijk gereisd. Uiteindelijk is cliënt op 30 juli 2011 in België aangekomen waar hij een asielaanvraag indiende. Cliënt is gevlucht omwille van een grondconflict en problemen door geloof. 

Het loutere feit Ahmadi te zijn in Pakistan is niet voldoende om te besluiten tot de erkenning van de status van vluchteling. Een gegronde vrees is volgens Commissariaat – generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’) niet aannemelijk gemaakt.

Beslissing: Er blijkt uit de informatie van CEDOCA (onderzoeksdienst van het CGVS) dat er slechts in uitzonderlijke gevallen een intern vluchtalternatief is in Rabwah. De Ahmadi staan bloot aan vervolging, er is anti-Ahmadi propaganda en er zijn fysieke aanvallen. De overheid is niet in staat bescherming te bieden. Uit de motivering van het CGVS blijkt nergens dat er rekening gehouden is met persoonlijke omstandigheden van verzoeker. Verzoeker heeft geen familie buiten Peshawar. Het CGVS heeft niet aannemelijk gemaakt dat er voor verzoeker een redelijk binnenlands beschermingsalternatief is in de door hem aangehaalde provincies Sindh of Punjab. Toekenning subsidiaire bescherming.

Download "131128-RVV-114-570.pdf"

Arrest RVV nr. 165 661 van 12 april 2016

Feiten: Irakese man, afkomstig Al-Diwaniya (provincie Al-Qadisiyyah – Irak). Verzoeker studeerde kunst hetgeen niet compatibel werd geacht met de Islam. Het Commissariaat – generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’) verwierp de asielaanvraag omdat hij zijn persoonlijke vrees onvoldoende aantoonde en zij bovendien meende dat de veiligheidssituatie opmerkelijk was verbeterd in zijn streek van afkomst.

Beslissing: de Raad oordeelt dat er onvoldoende rekening werd gehouden met het profiel van de man. Zo werd er geen aandacht besteed aan het feit dat hij een diploma had behaald in de kunstwetenschappen. De Raad oordeelt eveneens dat er geen rekening wordt gehouden met de meest recente informatie over de veiligheidsinformatie in Al-Diwaniyah. De beslissing werd vernietigd en de zaak werd teruggestuurd naar het CGVS.

Download "160412-RVV-165-661.pdf"

Arrest RVV nr. 94 534 van 3 januari 2013

Feiten: Iraakse vrouw met kinderen, Chaldeeuw christene, omwille van de oorlog in 2006 naar Syrië verhuisd. Haar broer is in Irak hard geslagen omwille van zijn alcoholwinkel en haar neef is vermoord. In 2011 heeft zij, samen met haar echtgenoot, Syrië verlaten, gezien de problemen van haar echtgenoot omwille van zijn activiteiten voor een mensenrechtenorganisatie. Verzoekster is afkomstig uit de provincie Ninewa (Irak). Volgens het Commissariaat – Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’) is de algemene veiligheidssituatie er opmerkelijk verbeterd. Aan haar echtgenoot werd het door het CGVS het subsidiaire beschermingsstatuut toegekend. Verzoekster zelf ontving vanwege het CGVS een negatieve beslissing. 

Beslissing: in de subject related briefing Irak van het CGVS staat er dat: “het doelgerichte geweld ten opzichte van bepaalde beroepsgroepen is gestegen, terwijl het doelgerichte geweld ten opzichte van minderheden, vooral tegen christenen blijft voortduren”. De Raad leidt uit deze objectieve informatie af dat de christelijke minderheden in Ninewa, meer bepaald in Mosul, een kwetsbare minderheid betreft. Twee nabije familieleden werden bij het vertrek van verzoekster uit Irak het voorwerp van vervolging, hetgeen was gegrond op hun lidmaatschap bij een christelijke minderheid. De vrees van verzoekster werd aannemelijk geacht. Op grond van artikel 48/3, § 4 van de Vreemdelingenwet werd zij door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erkend als vluchtelinge. 

Download "130103-RVV-94-534.pdf"

Arrest RVV nr. 113 078 van 29 oktober 2013

Feiten: Verzoeker bezit de Afghaanse nationaliteit. Zijn vader werkte als copiloot in de luchthaven van Kabul. Vader verzoeker ontving een dreigbrief van de taliban waardoor hij moest stoppen met werken. De vader van verzoeker werd op weg naar het werk vermoord. Verzoeker zag geen andere keuze dan te vluchten en heeft ten overstaan van de Belgische autoriteiten een asielaanvraag ingediend. Deze werd geweigerd door het Commissariaat – generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’). 

Beslissing: Overeenkomstig artikel 48/6 van de Vreemdelingenwet wordt aan een asielzoeker, wanneer hij een aantal van zijn verklaringen niet staaft met stukken of bewijzen, het voordeel van twijfel gegund en wordt hij geloofwaardig geacht indien een aan een aantal cumulatieve voorwaarden is voldaan. Verzoeker is al het voorwerp geweest van een rechtstreekse bedreiging door middel van een dreigbrief en het dreigement is al uitgevoerd ten aanzien van de vader van verzoeker. De vrees voor vervolging is aannemelijk gemaakt als oudste zoon van een lid van het leger. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erkende verzoeker als vluchteling. 

Download "131029-RVV-113-078.pdf"

Arrest RVV nr. 82 323 van 31 mei 2012

Feiten: Afghaanse nationaliteit, weigering van de erkenning als vluchteling en de subsidiaire bescherming. Vader was districtshoofd van Paghman. Op een dag werd een talib opgepakt, gemarteld en vermoord . Het lijk is terug gegeven aan de vader. Vanaf die dag werd de vader verdacht van de moord. Ook zijn er problemen met Abdul Rasul Sayyaf, commandant en partijlid van Ittihad-e-islami. Na anderhalf jaar is de vader verdwenen (april-mei 2008). Op 10 november 2010 was er een aanslag op zijn huis.

Beslissing: De cruciale informatie van het CGVS zat niet in het administratief dossier, een aantal stukken zijn niet terug te vinden in de bundel. Daarbij is het niet onwaarschijnlijk dat verzoeker als enige zoon van een vooraanstaand lid van de overheideveneens in de negatieve aandacht van de taliban is komen te staan. Ook het de vader een uitgesproken profiel ten gevolge van bepaalde beleidsdaden. De Raad kan gezien het dossier niet volledig is, niet nagaan of de bedreigingen zwaarwichtig zijn. Bestreden beslissing wordt overeenkomstig artikel 39/2, §1 Vw. vernietigd.

Download "120531-RVV-82-323.pdf"

Arrest RVV nr. 95 342 van 18 januari 2013

 Feiten: Afghaanse nationaliteit, provincie Kapisa. Verzoeker werkte als chauffeur van de nicht van zijn moeder, een parlementslid.  Hij werd opgebeld door de taliban, ze wilden explosieven vervoeren in zijn wagen naar het parlement. Verzoeker lichtte zijn oom langs moederskant in, deze raadde aan om Afghanistan te verlaten.

Beslissing: Verzoeker kon de verkiezingscampagne in detail omschrijven, verzoeker legt een brief voor waarin het parlementslid bevestigd dat verzoeker familie is en als chauffeur voor haar werkte, ook een bevestiging van de personeelsdienst van het parlement voorgelegd, ook toegangskaart van reliëfstempel, bewijs verdwijning jongere broer… De verklaringen van de verzoeker kunnen een voldoende bewijs zijn van diens hoedanigheid als vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, plausibel en oprecht zijn. De combinatie van zijn verklaringen en de neergelegde documenten volstaan om hem het voordeel van de twijfel toe te kennen. Verzoekers profiel, gerelateerd aan de Afghaanse binnenlandse context, zorgt ervoor dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft wegens het behoren tot een sociale groep. Verzoeker werd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erkend als vluchteling. 

Download "130118-RVV-95-342.pdf"

Arrest RvV nr. 115 693 van 13 december 2013

Feiten: Afghanen, etnische Pashtoun, afkomstig uit het dorp Joibar, provincie Kapsia. De neef van verzoeker is actief bij de taliban. Die neef probeerde verzoeker steeds te overtuigen om zich bij de taliban aan te sluiten. De ouders van verzoeker zijn omgekomen in een auto-ongeluk. Verzoeker is ontvoerd door de taliban en opgesloten in een kamp. Hij is ontsnapt en is teruggekeerd naar huis. Later kreeg verzoeker een dreigbrief van de taliban waardoor hij Afghanistan is ontvlucht. Verzoeker heeft op 16 april 2012 asiel aangevraagd in België. 

Persoonlijke vrees voor vervolging is niet aannemelijk gemaakt.

Beslissing: Verzoekers’ kennis van zijn onmiddellijke leefomgeving wordt niet betwist. Verzoeker legt gedetailleerde verklaringen af omtrent landbouwactiviteiten, administratieve indeling, troepen en scholen. Het Commissariaat – generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (‘CGVS’) werpt op dat de kennis van verzoeker niet volledig overeenstemt met de info in het administratief dossier. Er is echter geen rekening gehouden met de jonge leeftijd en de mondelinge kennisoverdracht waardoor er interpretatiemisverstanden kunnen bestaan. De raad heeft niet de onderzoeksbevoegdheid om de afkomst van verzoeker verder te onderzoeken. De beslissing van het CGVS werd vernietigd en teruggestuurd voor verder onderzoek. 

Download "131213-RVV-115-693.pdf"

Arrest RVV nr. 119 721 van 27 februari 2014

Feiten: Afghaanse nationaliteit, 5 à 6 maanden na geboorte naar Iran gegaan met ouders, nooit teruggekeerd naar Afghanistan. Vader van verzoeker had een conflict met broers over verdeling grond. Vader verzoeker ging naar de Malik van het dorp en vroeg om een jirga samen te roepen. Er werd besloten in het voordeel van de vader van verzoeker. De broers wouden nog steeds de beslissing niet naleven en de vader van verzoeker ging met de Malik van het dorp naar het huis van de broers, waar de vader van verzoeker werd vermoord na een ruzie. Na een motorongeval in Iran, waarvan verzoeker de schuld kreeg, is hij uit Iran vertrokken.

Beslissing: Nopens de subsidiaire bescherming besliste de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat er, bij de beoordeling van een intern vluchtalternatief, rekening dient te worden gehouden met de mensenrechtensituatie en de sociaaleconomische situatie in Kabul. Een repatriëring naar Kabul zou in casu tot gevolg hebben dat verzoeker, die zo goed als zijn ganse leven in Iran gewoond heeft, zich alleen zonder netwerk in Kabul zou bevinden. De Raad stelt vast dat er voor terugkeerders een gebrek is aan basisvoorzieningen, onderkomens en bestaansmiddelen. Bovendien slaagt een grote groep van terugkeerders er niet in zich te integreren in de samenleving. De Raad is van oordeel dat Kabul ten aanzien van verzoeker geen redelijk intern vestigingsalternatief vormt. Verzoeker krijgt de subsidiaire beschermingsstatus. 

Download "140227-RVV-119-721-1.pdf"

Arrest RVV nr. 83 834 van 28 juni 2012

Feiten: Afghaan, niet-begeleide minderjarige, asielaanvraag op 26 oktober 2011, op basis van vingerafdrukken een match met Italië (EURODAC), verzoek tot terugname verstuurd naar Italië, impliciet akkoord, weigering van verblijf en bevel tot terugbrenging

Beslissing: De Belgische Staat is niet concreet nagegaan wat de specifieke situatie van niet begeleid minderjarige asielzoekers in Italië is. NMBV’s zijn een bijzonder kwetsbare groep, terwijl er in Italië grote problemen zijn met opvang en zorg. De Belgische Staat stelde onvoldoende garanties. Er werd geen rekening gehouden met de individuele omstandigheden eigen aan verzoeker. Bijgevolg was er ook onvoldoende onderzoek naar een mogelijke schending van artikel 3 EVRM. De bestreden beslissing van de Belgische Staat werd vernietigd. 

Download "120628-RVV-83-834.pdf"

Arrest RVV nr. 74 792 van 9 februari 2012

Feiten: Irakees, afkomstig uit Basra (Irak). Cliënt is Irak ontvlucht gelet op zijn homoseksuele relatie. Verzoeker en zijn vriend werden immers betrapt, waarop de stammenraad is samengekomen. Terwijl verzoeker kon vluchten werd zijn vriend vermoord. Volgens Commissariaat – generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (”CGVS’) zijn er ernstige twijfels betreffende de geloofwaardigheid van de homoseksuele geaardheid.

Beslissing: De bewijslast van een asielaanvraag rust voornamelijk op de verzoeker zelf. Verzoekers verklaringen aangaande de beleving van zijn geaardheid zijn niet in strijd met algemeen bekende feiten en zijn te rijmen met zijn voorgaande verklaringen zoals deze blijken uit het administratief dossier. Gelet op de informatie in het administratief dossier kan worden aangenomen dat verzoeker een gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3 Vw., omwille van het behoren tot een sociale groep. Verzoeker wordt als vluchteling erkend.

Download "120209-RVV-74-792.pdf"